Monthly Archives: December 2012

De tocht naar de suikerplantage Libanon

Op zaterdag 3 maart ’07 vertrekt om 9.00 uur in de morgen een boot vanaf de plantage Visserszorg aan de Commewijnerivier. De bestemming is de plantage Libanon aan de Boven-Cottica. Aan boord zijn Anton Hagermijer en Philip Dikland, Roel Bosch Reitz en zijn vrouw Helen Bosch Reitz-Esseveld, de bootsman en ik.

Roel en Helen Bosch- Reitz

Roel en Helen Bosch-Reitz

Roel en Helen zijn uit Nederland naar Suriname gekomen, om de plantage, het laatste bezit van de grootvader van Roel op te sporen. Het bijna negen uren durende tocht, zou ogenschijnlijk niets opleveren.Althans, dat werd halverwege de tocht gedacht. Toch zou Commewijne ons niet leeg huiswaarts doen keren.

Je wilt toch zien, wat van jou is.

Philip en ik zijn die morgen al vroeg op. In de bovenruimte van zijn plantagehuis op de plantage Visserszorg aan de linkeroever aan de Commewijnerivier, hebben wij al wat genuttigd. Daarvoor heeft zijn zorgzame vrouw gezorgd. Wij zouden straks opgehaald worden door Anton. Met zijn boot komen de gasten, die verblijven op zijn plantage Fredriksdorp, waar hij zijn toeristenverblijf heeft. Anton en Philip zijn de gidsen op de tocht naar Libanon. Zij hebben de nodige kaarten van het gebied. Zelfs satelliet foto’s en een apparaat om de ligging via de satelliet te bepalen, behoren tot het equipement.

Als de boot uiteindelijk de steiger van Philip, verlaat begint de tocht pas echt. Wij hebben dan kennis gemaakt met Roel en Helen. Roel is geboren op 13 november 1954 aan de Anton Dragtenweg, nu nummer 39. Zijn vrouw is geboren op 24 maart 1961 te Rijswijk Nederland. Beide zijn woonachtig in Den Haag. Hij is bouwkundig medewerker, is bouwkundig tekenaar en leidt projecten. Hij is nu in Suriname met zijn vrouw, om opzoek te gaan naar de suikerplantage van zijn grootvader van vaderskant, Philip John Bosch Reitz. Hij was getrouwd met Tjien Tjan Aman. Voor Roel is nu het moment in zijn leven gekomen om te weten, waar de plantage precies ligt en in welke staat die verkeerd. Voor hem is het een avontuur de Boven- Cottica binnen te varen en voet op de plantage te zetten. “ Je wilt toch een keer staan op en zien wat van jou is”, stelt hij.

En terwijl de 40 pk. buitenboord motor uit alle macht de niet al te grote , maar toch logge boot voortstuwt, vertelt Helen wat de tocht voor haar betekent: “ Voor mij is het een ontdekkingstocht. Zoals ik het vele groen langs de rivier zie, is het voor mij moeilijk een onderscheid te maken. Ik ervaar alleen maar bos, bos en bos. Het is leuk de tocht mee te maken. Een jongenstocht vol avontuur”.Bos, bos, en bos. Hoe zij dat innerlijk ervaart is moeilijk te peilen. Duidelijk is dat zij op verschillende momenten van de tocht op de rivier, zich in alle rust naast Roel neerlegt. Net als een Sita die met Ram ten koste van alles het bos inging. Haar man door dik en dun te volgen. Dat hij voet op de plantage kan zetten.

Fort Sommelsdijck

Hier lag Fort Sommelsdijck aan de samenvloeiing van de Commewijne- en de Cotticarivier.

Intussen lijkt de tocht niet te vlotten, vanwege de tegenstroom daar het bezig is eb te worden. Hoewel wij vele plantages zijn gepasseerd, ik noem Wederzorg, Mon Souci, Weltevreden, Hecht en Sterk, Welgelegen, valt me de discussie op, tussen Philip en Anton enerzijds en Roel anderzijds. Na ongeveer 1/3 deel van de afstand naar Libanon te hebben afgelegd, zou nu al blijken dat de hoeveelheid meegevoerde benzine niet voldoende zou zijn, om de tocht Visserszorg naar Libanon vis a versa te voltooien. Daarnaast zou het ruim zeven uren duren, om Libanon te bereiken. Volgens de gegevens van onze apparatuur aan boord, had de boot een gemiddelde snelheid van 18 km per uur. In een poging een hoeveelheid benzine bij te kopen, doen wij de plantage Alliance kort aan. De winkel van de chinees nabij de steiger is gesloten. “Dat is vaker zo”, zegt Anton lichtelijk geïrriteerd. Wij maken nog een grap ervan door te stellen, dat deze chinees zeker in Suriname is geboren. Overal in het land zijn de winkels van de nieuwkomers chinezen, altijd open.

Plantagewoning te Alliance

Wij vervolgen onze tocht. Philip en Anton houden Roel en Helen steeds de historie van het gebied voor. Bij de samenvloeiing van de Cottica- en Commewijnerivier, vertelt Anton over het fort Sommelsdijck, dat ooit hier heeft gestaan: “Het heette aanvankelijk Fort Cottica. Het was vijfhoekig en de vijf bastions droegen de namen van Nicolaas, Willem, Nassau, Marie en Oranje. De wallen waren opgeworpen van aarde en het geheel was omsloten door een gracht. Het fort werd in 1748 als versterking opgeheven. Was nog lange tijd een militaire post en hospitaal tot het in 1870 werd verlaten en spoedig verviel. Nu is er niets meer daarvan terug te vinden. Ook is niets van de aarde wallen die er moeten hebben gestaan. Met vrienden heb ik het terrein afgekampt. Wij hebben niets gevonden”.

Motkreek, Hulshof en Oud Belleveu.

Wij varen de Cottica op en komen o.a. langs de vroegere plantages Twijfelachtig, Rotterdam, Beekvliet, Courtvlucht. Al voorbij Alliance zijn alle oude plantages verlaten. Aan de hand van de kaarten en het navigatiesysteem kunnen wij nagaan, langs welke oude plantages wij varen. Bij de samenvloeiing van de Perica en de Cottica weten wij zeker dat wij Libanon niet kunnen aandoen, willen wij genoeg benzine voor de terugtocht overhouden. Toch nemen wij de beslissing de Cotticarivier op te varen. Nabij de plantage Goed Succes, op ongeveer 2 uren varen van Libanon, maken wij halt en aanvaarden onze terugtocht. Roel en Helen laten hun teleurstelling niet blijken. Ook wij niet. Op hun eigen manier verwerken wij die in stilte. Toch zou de natuur ons goed gezind zijn. Wij vinden bij de terugtocht, de bijna

De monding van de Motkreek aan de Boven-Cottica

niet meer zichtbare monding van de Motkreek. De kreek die in verbinding stond met de Atlantische Oceaan. Aan zee lagen de plantages De Dankbaarheid en Zeezicht. Zeker 32 plantages lagen aan deze kreek. Munnikkendam en Naccarackibo lagen waar de kreek de Cottica instroomt, vlak tegenover plantage Brunswijk. Zegt deze naam u wat? Wij zijn er trots op, dat wij de eens zo belangrijke kreek nog kunnen terug vinden. Maar het blijft niet bij deze fonds. Vlak bij de samenvloeiing van de Cottica en de Perica, aan de linkeroever van de Cottica, lag de plantage Hulshof. Hier heeft vlak langs de oever, een kerk van de Hervormde gemeente gestaan. Philip en ik besluiten aan land te gaan voor een onderzoek. Het was niet een gemakkelijke tocht door de modder en parwabos. Maar onze doorzetting wordt beloond. Wij vinden plavuizen, een neut van bakstenen en zelfs een oude fles. Die lag bij de neut, alsof die door iemand was geplaatst. Niet ver daar vandaan vinden wij ook een landmeterpaal. Voor de historie leggen wij alles vast. De anderen die ons in de boot opwachten zijn erg blij met onze fonds.

Bakstenen neut van de Hervormde kerk op de plantage Hulshof aan de Boven-Cottica

Het geluk is met ons. Wij zijn maar net vanaf de samenvloeiing van de Perica en Cottica, de Cotticarivier aan het afvaren als wij langs de oever van de plantage Oud Belleveu een enorme fundament waarnemen.

Sluiswand van de plantage Oud Belleveu aan de Cotticarivier

Wij gaan er naar toe en zien dat het een van de sluiswanden is van de sluis die hier heeft gestaan. De andere zijde van de sluis is inmiddels in de rivier gestort, gezien de resten die langs de oever te zien zijn . Phillip en ik gaan hier weer aan land. De afvoerkreek van de oude plantage is volkomen dichtgeslibd. Aan weerszijden van de kreek kammen wij de oever verder af, maar vinden niets. Toch zijn wij enorm blij en met ons vooral Anton, omdat de sluiswand toch wel een mooie vondst is. Wij erg trots zijn op het feit, dat de tocht naar Libanon, gemaakt ter wille van de familie Reitz, toch belangrijke vondsten heeft opgeleverd. Niets is toeval. Wij stoppen op onze terugreis bij de plantage Reijnsdorp, meer bekend als Bakki. Bakki ligt aan de Matapiccakreek. In de winkel van een hindostaan eten wij wat. Roel en Helen geven aan genoten te hebben van de tocht, het natuurschoon, Commewijne en Suriname. Zij komen terug om bij de volgende keer werkelijk voet op plantage Libanon te zetten.

Als de gasten richting Fredericksdorp huiswaarts varen en Philip en ik op de steiger van Visserszorg naar zijn plantagehuis lopen, zijn wij in onze eigen gedachten verzonken.Ik zie hem nog zo voor mij lopen met zijn zware aktetas in de hand, met laarzen en kleren onder de modder, als hij zich omkeert en zegt:” Libanon, wij doen je spoedig aan”.

Kenneth, Roy Donk, 10 maart 2007

B.J.Parabirsing, de eerste Nickeriaanse commissaris

Hij is een ervaren bestuurder geweest, met het gevoel voor rechtvaardigheid. Daarbij deed het er niet toe, wie de persoon was over wie en waarover hij moest oordelen. Bijgestaan door zijn echtgenotes, zijn eerste vrouw kwam te overlijden, kon hij met studie en ijver, een respectabele plaats in de samenleving verkrijgen. Wie was deze grote Surinamer eigenlijk? Wat heeft hij als Districts-Commissaris, voor Nickerie en Suriname betekend?

D.C. B.J.Parabirsing 1961

Dicipline, orde en tucht

Op 85-jarige leeftijd op 17 maart, 1999 komt in vol bewustzijn een eind aan zijn welbesteed leven. Tijdens zijn leven heeft hij verschillende functies bekleed,100 die hij alleen vanwege zijn studie, ijver en bijzondere persoonlijkheid, heeft weten te bemachtigen. Bahadoer Jozef Parabirsing, de eerste Nickeriaan van hindostaanse afkomst, die commissaris werd in Nickerie. Bharos.G. en Doekhie.R. zouden later volgen. Ik breng een bezoek aan zijn vrouw Salomé Rahmatbibi, die het boeiende levensverhaal van Jozef vertelt: “ Mijn man werd geboren op 5 juni 1913 in het district Nickerie als tweede kind van de evangelist Philip Parabirsing en Somaria Piare. Geboren aan de Landingstraat, waar eerst de Spangenbergschool stond en waar nu Huize Francis voor oudjes is gevestigd. Vanwege de komst van het gezin naar Paramaribo en overlijden van zijn moeder, kwam hij in het200 internaat Schutz van de E.B.G.S. terecht. Zijn vader werd wederom in Nickerie te werk gesteld. Zoals hij het aan mij vertelde:” In het internaat was er discipline, orde en tucht. Je moest hard aanpakken, maar je leerde ook verdraagzaamheid en kameraadschap”.

Mevr. J.Parabirsing-Mangroe begroet prinses Beatrix

Hij bezocht eerst de Comenius- daarna de Selectaschool tot 1928, waarna hij bij de firma Kersten op de herenafdeling kwam te werken. Tegelijkertijd volgde hij een avondopleiding tot boekhouder. Hij schreef zich daarna in op de Lands Normaalschool voor de opleiding tot onderwijzer. Hij kwam van 1931 tot 1938 te werken in het district Commewijne. Eerst als onderwijzer op Alkmaar, maar toen hij zijn boekhoudendiploma300 behaalde werd hij administratief medewerker en opzichter op de plantages Mon Tresor, Zorgvliet, Visserszorg en Liliëndaal. Door de economische crisis van die jaren in de wereld, ging het niet goed met de plantagelandbouw in Suriname. Hij trad toen in de politiedienst en werd ingedeeld bij de afdeling administratie. De tweede wereldoorlog brak uit. Het districts-commissariaat Paramaribo werd ingesteld en in 1943 werd hij overgeheveld naar de bestuursdienst in de rang van schrijver. Ook hier maakte hij vorderingen en hij werd in 1945 daarom tot districtsklerk 1e klas benoemd. Hij werd daarna naar Nickerie gedetacheerd. Mijn man heeft toen gediend op het Ontvangkantoor, eerst als comptabel ambtenaar van400 het Ministerie van Bouwwerken, Verkeer en Waterstaat. Later werd hij belast met de functie van Ontvanger der Belastingen, Directeur van het Postkantoor en van de Surinaamse Postspaarbank. In 1947 verruilde hij Nickerie voor een jaar voor Marowijne. In de jaren die volgden, werd hij districts-secretaris op Combè. Hij volgde tegelijkertijd de Surinaamse Rechtsschool. Zijn leergierigheid werd beloond. Hij werd in 1954 Districts-Commissaris van het district Suriname.

Parabirsing te Alkmaar, Commewijne 1930

 

Hierna vertrok hij met buitenlands verlof naar Nederland. Maar hij wist niet van stilzitten. In opdracht van de Surinaamse regering bestudeerde hij het gemeentewezen aan de Universiteit van Utrecht. Hij liep daarnaast stage in de gemeente Zeist. Bij zijn500 terugkeer in Suriname in 1956 werd hij “ tijdelijk” ontheven als D.C. en ging toen als secretaris en fungerend notaris werken in Nickerie. Werd daarna wederom Districts-Commissaris van Saramacca in 1958. In 1961 ging hij voor de derde maal naar Nickerie.

Mevr. S.Parabirsing in 1968

Dit maal als commissaris van het district. Hij blijft in Nickerie tot het jaar 1968, omdat hij wordt benoemd tot Directeur van de Gevolmachtigde Minister van Suriname in Nederland, gevestigd te Amsterdam. Hij wordt bij zijn terugkomst in Suriname in 1970 benoemd tot directeur van het ministerie van Districtsbestuur en Decentralisatie. Hij verlaat de dienst in 1973 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde600 leeftijd. Vermeldenswaard is ook, dat hij in 1965 vanwege zijn waardering voor zijn werk, wordt onderscheiden tot Officier in de huisorde van Oranje” door H.M. Koningin Juliana, die toen Suriname bezocht en tevens het distrikt Nickerie. Als Salomé vertelt over haar man, wordt ik geconfronteerd met het leven van een veelzijdig mens. Ook op sociaal, maatschappelijk en politiek gebied is hij actief geweest. Zelfs na zijn pensioen bleef hij werken. Hij was van 1973 t/m 1981 direkteur van het C.C.S. Voor de E.B.G.S. van 1981 t/m 1991, als Algemeen Secretaris. Bahadoer , behoorde in 1947 tot medeoprichter van de afdeling Nickerie van de Nationale Partij Suriname ( NPS).700 Hij was voorzitter van de uitbreiding Wageningen met middenstandslandbouw. Was medeoprichter van het zwembad Bikini, het Jeugdcentrum en de sociaal culturele stichting Upkar. Hij was ook lid van de commissie voor toekenning van een financiële bijdrage aan de religieuze leiders van de Hindoes- en Moslimgemeenten in Suriname. Hij was voorzitter van het bestuur van de Hindostaanse zending en tevens lid van het Zendingsbestuur en het Provinciaal Bestuur van de E.B.G.S. Geachte lezer, met deze opsomming is lang niet alles gezegd, maar ik houd het hierbij.

Een leerrijke periode

Het kan vaak niet anders. Succesvolle mannen worden bijgestaan door bijzondere vrouwen. Wat Salomé bijzonder maakt, is haar volstrekte800 vertrouwen in God. Haar daden, haar woorden, haar denken, alles wijst erop dat zij is: “Een wedergeboren christen”. Als lid van een volle evangelie gemeente put ze kracht uit het woord van de Heer, in alles wat ze doet. Bescheiden als ze is, vertelt ze kort haar eigen verhaal:” Velen denken dat ik een Nickeriaanse ben, maar ik ben een stadse. In 1953 trad ik in dienst van het Ministerie van Onderwijs en ik werd in 1954 naar Nickerie gedetacheerd.

Van Nickerie wist ik niet veel af, wel had ik op school een klasgenoot afkomstig uit Nickerie en wel van de Corantijnpolder. De school waar ik kwam te werken was900 in dezelfde polder en wel de eerste O.S. Corantijnpolder, wat nu de Dr. Rambaran Mishre school is. Het schoolhoofd was een oud bekende, meneer Soekhai. Toentertijd was er geen Rayon- Inspecteur in het distrikt, dus gingen alle zaken het onderwijs betreffende, via het commissariaat. D.C. van Petten was er met Secretaris Matroos. In deze eerste periode van mijn werk, heb ik de volgende commissarissen meegemaakt: Van petten, Lum Chou en Hewitt. Deze laatste werd in 1956 opgevolgd door A. Quintus Bosz. In 1956 ging Secretaris Matroos met pensioen en werd B.J. Parabirsing, zijn opvolger. Dat was dus mijn man. Zijn tweede dienstverband in Nickerie t/m 1958. Hij werd toen weer hersteld in zijn functie als D.C. en ging naar Saramacca, met1000 als standplaats Groningen. Hij vertelde mij dat intussen Quintus Bosz eind jaren 50, in Nickerie werd opgevolgd door Robles, die vanuit Nw. Amsterdam, Commewijne, naar Nickerie werd overgeplaatst. Op een gegeven moment was er geen commissaris in Nickerie. Mijn man werd ook belast met het beheer van het district, totdat hij in 1961 definitief tot Districts-Commissaris van Nickerie werd benoemd. Ik was intussen in 1956, terug gegaan naar Paramaribo. In 1964 ging ik weer naar het rijstdistrict met mijn 2 kinderen. Dit na veel ups en downs in mijn persoonlijk leven. In de periode dat ik in de stad terug was, had ik kennis gemaakt met zusters1100 mijn man, de familie D.M. Lachman-Parabirsing en de familie M.M. Lachman-Parabirsing. Toen ik in 1964 weer naar Nickerie moest en hen ging groeten, zei mevrouw D.M. Lachman aan mij : “Je gaat naar het district Nickerie , mijn broer is daar D.C., als je soms juridisch advies nodig zou hebben, moet je mijn broer contakten. Inderdaad, mijn man was juridisch goed onderlegd. Hij was wel geen beëdigd jurist, maar kon elke discussie met welke jurist dan ook, aan.

Ik ging dus terug en kwam weer op de eerste O.S. Corantijnpolder. Mijn schoolhoofd was toen Salikram, die later werd opgevolgd door Ramadhin. Met het nieuwe schooljaar kwam1200 ik in Nw. Nickerie op de O.S. Nw. Nickerie. Mijn schoolhoofd was R.Ramkhelawan. In de periode 1956 – 1964, was er op onderwijs gebied heel wat vooruitgang. Er was nu wel een Rayon- Inspecteur van Onderwijs, de R. Blufpand. Na hem kwamen de heren Timmer en Letterboom.

Bij verschillende gelegenheden ontmoette ik de Districts-Commissaris. Hij was toen weduwnaar, want zijn echtgenote Johanna Parabirsing-Mangroe, stierf in 1962. Ik was toen ook alleenstaand en uiteindelijk trouwden wij op 26 november 1966. Het huwelijk werd in de Vredeskerk van de E.B.G.S. voltrokken, door dominee Hessen. In deze zelfde kerk was mijn man in 1913 gedoopt. De kerk staat aan de G.G. Maynardstraat, voorheen Voorstraat. Ik heb tijdens mijn huwelijk met Parabirsing veel geleerd, veel wijsheid opgedaan, heel veel mensen van allerlei rangen1200 en standen ontmoet. We hadden een belangrijk aspect van het leven gemeen. Wij geloofden beiden in dezelfde God van de hemel en de aarde en zijn zoon Jezus. Wij waren dus christenen. Zijn vader was evangelist geweest en ik werd christen in 1937, toen mijn moeder vanuit een moslim achtergrond, lid werd van de Nederlands Hervormde Kerk. Het was de leiding van God, die dit gebeuren had voorbeschikt en daar ben ik vandaag de dag heel erg dankbaar voor. Door de jaren heen werd het geloof gesterkt en dieper, want het is een groeiproces. Daarom kan ik vandaag de dag anderen van advies dienen, geleid door de Geest van God”.

Geachte lezers, met genoegen en vereerd,1300 heb ik naar het verhaal van Salomé geluisterd. Het verhaal van B.J. Parabirsing en zijn vrouw, althans een deel daarvan, heb ik u gepresenteerd. Tot de Nickerianen en zij die het bepalen, zeg ik het volgende:” Tot driemaal toe heeft de grote Surinamer zijn krachten aan Nickerie gegeven, eenmaal meer dan zijn vader. Hij liet zich bij zijn werk niet beperken door kantoortijden. Vele avonden bracht hij werkend door. Is het niet te betreuren dat wij in Nickerie, zijn naam niet voor het district hebben laten vereeuwigen? Het is echt tijd, dat wij naar Bahadoer Jozef Parabirsing toe corrigerend in dit opzicht optreden, hem alsnog eerbetoon bewijzen”.

K.R.Donk, 10 juni 2006

De historie rond de lijkverbranding in Nickerie

Niets is zo zeker in dit leven, dat de mens die geboren is, op een dag zal sterven. Hebben onze dierbaren het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, dan bewijzen wij hen de laatste eer, zetten het stoffelijke overschot in het graf of cremeren het.Waarvoor wij kiezen is meestal zowel religieus als cultureel gebonden. Bijna dagelijks worden nabij de monding van de Corantijnrivier lijken verbrand. Niemand in Nickerie staat er nu bij stil, dat het cremeren iets van de laatste tijd is. Voor de historie is het goed, de feiten rond het cremeren vast te leggen.

Balkaran Matai, de grondlegger

Ali Sewrutton(L) met Balkaran Matai(R)

Ik breng met Ali Sewrutton een bezoek aan Balkaran Matai, om meer te weten te komen over het cremeren in het rijstdistrict. Matai is 34 jaren lang betrokken geweest bij het crematiegebeuren en heeft de basis daartoe helpen leggen. Hij is op 6 november 1926 geboren in Nickerie. Zijn vader en moeder waren vanuit India als immigranten naar Suriname gekomen. Zijn vader Dulham Matai is met de boot Indus op 25 mei 1907 vanuit Calcutta vertrokken. Hij behoorde tot de kurmikaste, was afkomstig van het district Gonda en woonde in het dorp Jungli. Hij had als immigratienummer Jj/1389. Hij trouwde met Sankalia, zij had als immigratienummer Jj/1390. Samen kregen ze 8 kinderen, 6 zonen en twee dochters. Zij werden tewerkgesteld op de plantage Waterloo in Nickerie, waar ze tot en met 3 juli 1912 werkten. De plantage stond toen onder het beheer van H.M.D.Robertson een erfgenaam van R.Kirke. Dit alles vertelt zijn zoon Balkaran ons, om daarna zijn verhaal aldus te vervolgen:” De eerste persoon van hindostaanse afkomst van Nickerie die werd gecremeerd, is een zekere Rambaranmishre geweest. Maar dat geschiedde niet in het rijstdistrict, maar op het strand van 63 village in Guyana. Ik was toen niet met de crematie belast, maar was aanwezig toen dat geschiedde. Ik was zo onder de indruk, dat ik bij mijn terugkomst in Nickerie, ik met luciferstokjes een kleine brandstapel of tjita maakte. Ik maakte verschillende keren miniatuur tjita’s. Toen voelde ik me sterk genoeg een tjita op te zetten, waarop een lijk gecremeerd kon worden. Daarvoor wendde ik mij tot de districts-commissaris Biharisingh, die contact had met de minister van Justitie en Politie Manichand.

Het eerste lijk werd daarna aangeboden, om te worden gecremeerd. Voor het eerst zou in Nickerie een lijk te Scheveningenstrand, nabij de Rijsdijksluis aan de Corantijnrivier, worden gecremeerd. Het ging om een manspersoon, Lautan genaamd. Een immigrant uit India, die op 27 januari 1969 overleed. Hij had als immigratie nummer 147Ll. De verwachtingen waren enorm hoog. D.C. Biharisingh gaf aan dit proefproject, onder voorbehoud zijn toestemming. Bij een mislukking, zou dat de eerste en de laatste crematie kunnen inhouden”.

De 81 jarige Balkaran geeft nu nog aan zeer trots te zijn, dat zijn project de proef heeft doorstaan. Na twee en een half uur was de verbranding van het lijk een feit. Zijn gezicht licht op en zijn ogen glinsteren bij het vertellen van zijn verhaal. Hoewel hij het Nederlands beheerst, doet hij grotendeels zijn verhaal in het Hindi. Ali doet dan de vertaling. Volgens Balkaran is het belangrijk het hout in de juiste formatie en hoeveelheid op te stapelen. Daarnaast moet je weten hoeveel samagrie, de verzamelnaam van de kruiden, gebruikt moet worden. Daarbij behoren gew ( geklaarde boter), kapur ( kamfer), en agarbattie ( wierook). Normaal zijn 4 blikken gew en 1 kg. Samagrie, 4 pakken kapur en twee pakken agarbattie voldoende. Nooit is er sinds de eerste lijkverbranding, iets misgegaan. Zelfs bij regenweer niet. Als het vuur eenmaal is aangestoken, blijft het zelfs bij stortregens branden. “ Zo heeft het tijdens het cremeren van het lijk van Narsingh Surujdbalisingh, constant geregend. Het vreemde was, dat toen de crematie rond was, het stopte met regenen”, lacht en vertelt Balkaran.

Biharie Rambaranmisshre en Lautan

Bihari Rambaranmishre

Balkaran Matai heeft zich niet allen met het cremeren bezig gehouden. Zo is hij 10 jaren voorzitter van de tweede stalweide geweest. Hij was landbouwer en was lid van verschillende organisaties en trok op met bekende mensen van toen, zoals Remie Hirasingh en Soebhkaran Ramhit. Hij was een goede Ramayan zanger en kon de Geeta goed lezen. In 1948 trad hij in Paramaribo op, evenals in Guyana en Trinidad. Zijn Ramayangroep heette Madhuban. Op 22 februari 1948 trouwde hij met Mankumarie Parahoe. Samen kregen zij 12 kinderen, 5 dochters en 7 zonen. Twee zonen schopten het heel ver. Revie Matai is econoom en Kris Matai is arts en een bekende parlementariër van de VHP in Nickerie.

Balkaran is trots op al zijn kinderen. Zij zijn ook trots op hun vader, die het fundament heeft helpen leggen voor het cremeren. Dat de hindoes in Nickerie hun geloof van wieg tot graf goed kunnen beleven. Dat hij zijn buurman Lautan het eerst mocht cremeren, zal hem altijd bijblijven. Ali en ik, brengen de zoon van Lautan, Jagroep Lautan en zijn vrouw Dhanradji Lautan Sewnarain ook een bezoek. Zij wonen in de Corantijnpolder serie B no. 10 waar ook de vader gewoond heeft. Jagroep vertelt zijn verhaal:” Op de dag dat de parlementariër Oedayrajsingh Varma in Paramaribo werd gecremeerd, stierf mijn vader. Harry Laighsingh, statenlid van de VHP voor Nickerie, heeft gepleit de crematie van mijn vader mogelijk te maken. Iedereen was angstig, omdat wij niet wisten hoe het zou aflopen. Zou er een onaangename geur ter plaatse zijn? De D.C. zorgde voor militaire bewaking, die tot het einde de wacht hield. Maar er was een probleem. Wij moesten het lijk drie dagen lang goed houden, tot alles geregeld was. Er was toen daarvoor geen koelsysteem in het district. Wij maakten toen een houten bak die met zinkplaten werd bekleed. Het geheel liep schuin af. Het lijk werd daarin geplaatst en met ijs koel gehouden”.

Tjitra op het Corantijnstrand

Bihari Rambaranmishre

Om meer te weten over de eerste Nickeriaan, die (in Guyana) werd gecremeerd, brengen wij de 73 jarige Dharmradj Hirasingh meer bekend als Diamond, een bezoek. Diamond beheert de tempel te Corantijnpolder serie B. Hij vertelt ons het volgende:” De 84 jarige Bihari Rambaranmishre, mijn guru wilde na zijn dood worden gecremeerd. Hij kon daarvoor geen vergunning krijgen. Hij kwam in 1904 via Demerara naar Suriname. Zijn immigratienummer was 134 Gg. Hij koos in Suriname de geslachtsnaam Rambaran Mishre en de voornaam Bihari. Hij was een bekende aannemer in Nickerie. Hij had gezag in zijn woonplaats en was een klankbord voor de ingezetenen, een aanspreekfiguur voor vele sociale en godsdienstige vraagstukken in de samenleving. Bihari onderhield de polders en kanalen van het district. Hij was tevens de voorzitter van het waterschap van de van Drimmelenpolder. De toenmalige districts-commissarissen zagen in hem iemand naar wie het districtsbestuur kon luisteren. Mijn guru had drie zonen en vijf dochters. Zijn zoon Sewaram Rambaranmishre was hartspecialist in Suriname. Hij overleed echter op 47 jarige leeftijd aan een hartaandoening. Ik heb veel van mijn guru geleerd, o.a. over het hindoeïsme, en de handel. Toen hij in 1961 stierf heb ik er alles aan gedaan zijn wens in vervulling te brengen. De tolk Girdharie en Bestuurs- Opzichter Girjasingh hebben mij daarbij geholpen. Maar in Nickerie kregen wij geen vergunning voor zijn crematie. Pandit Oeditnarain van Guyana zorgde wel voor een vergunning in Guyana. Hij hield toen ook de ceremonie. Het lijk werd twee dagen met ijs koel gehouden en verduurzaamd. Met de barkas brachten wij het lijk toen over. Op het laatste moment wilde de politie in Guyana toch nog de crematie tegenhouden. Maar op instructie van pandit Oeditnarain, werd het lijk snel op de tjita geplaatst toen wij aankwamen. Toen de politie arriveerde, was het vuur al aangestoken en was de wens van mijn guru in uitvoering”.

Waar een wil is, is een weg. Vanwege de inzet van o.a. Matai Balkaran, zal zolang er mensen geboren worden, het vuur in Nickerie, feilloos blijven branden.

K.R.Donk, 9 januari 2008.

Dalbahadoor Dalloesingh; over wagens en Oranje

Dalbahadoor Dalloesingh, geboren op 7 december 1895 in Nickerie, staat bekend als de eerste Nickeriaan die een transport bedrijf begon in het rijstdistrict. Britchbasie Dalloesingh te Corantijnpolder, Harribahadoorsing Dalloesingh, Inderbasie Dalloesingh en Roy Sahadew Mahadewsingh de echtgenoot van Inderbasie, vertellen het verhaal. Wat het levensverhaal van Dalbahadoor zou worden, krijgt een onverwachte, doch bijzondere Oranje wending.

Dalbahadoor Dalloesingh(L), vouw Bhoodia(R) en 12 kinderen(M)

Taunusbussen en Amerikaanse auto’s

Er waait een koele zeewind door de Corantijnpolder als wij bij het huis van Britchbasie Dalloesingh arriveren. Hier gebracht door Bisnoepersad Dalloesingh een kleinzoon van Dalbahadoor Dalloesingh. Bisnoepersad is het gewezen hoofd Openbaarvervoer sectie Nickerie. Vertegenwoordiger TCT in het districtskabinet rond 1990. Nu ondervoorzitter van CLO-Regio West, lid van het hoofdbestuur van de CLO en voorzitter bij de bond van het ministerie van Openbare Werken in Nickerie.

Britchbasie Oemrawsingh-Dalloesingh en Harribahadoorsingh Dalloesingh

Harribahadoorsing Dalloesingh meer bekend als Max, die vanuit Nieuw Nickerie is meegekomen, laat de geschiedenis van Dalbahadoor herleven: “ Ik ben geboren op 23 juli 1933 aan de Achterstraat 18, nu de Doergasawstraat, te Nieuw Nickerie.Daar had mijn vader, Dalbahadoor Dalloesingh zijn auto- en busbedrijf, die de route vanuit Nieuw Nickerie, Paradise, Hamptoncourt vis a versa onderhield. Hij had naast de acht personen Taunusbussen, ook nog enkele mooie Amerikaanse auto’s, waarmee taxi werd gereden. Mijn vader is op de suikerplantage Hazard geboren. Zijn moeder heette Hankumari 1035/V en zijn vader was afkomstig van Katmandu in Nepal. Hij is evenals zijn vrouw, door de immigratie uit Brits-Indië in Suriname beland. Dalbahadoor trouwde met Bhoodia de dochter van Chhanai 472/V en zijn vrouw Maharajee. Maharajee is de dochter van Orie 474/G en zijn vrouw Lallia 494/G. Bhoodia moet rond 1902 zijn geboren. In dat jaar is ze door haar vader erkend. Mijn vader en moeder kregen 21 kinderen, van wie 12 in leven bleven. De namen zijn: Sorijpaulsing, Oobijsing, Choobasi, Jagatpaul, Britchbasie, Sunderbassia, Chanderbasi, Hatabahadoorsing, Harribahadoorsing,Dewbahadoer, Bridjbahadoer en Inderbasie. Allen geboren tussen 1916 en 1947. Mijn vader heeft veel op de suikerplantages Hazard waar hij is geboren en Waterloo waar hij heeft gewerkt, geleerd. Toen de stoommachines te Waterloo in de jaren dertig kapot raakten, was hij het die ze weer opgang bracht. Toen de ingenieurs uit Schotland arriveerden, stonden ze er versteld van. Ze wilden toen mijn vader naar Engeland meenemen om met ze te werken in de fabrieken, maar hij weigerde dat. In een ander geval werd ook de kennis van mijn vader over machines duidelijk. Toen de boot van de gouverneur van Suriname in Nickerie defect raakte, was er niemand die de motor kon maken. Uiteindelijk liet men mijn vader halen, die het klusje klaarde. Op verzoek van de gouverneur vertrok hij met het gezelschap mee naar Paramaribo. De gouverneur was zo blij dat alles goed verlopen was. Dalbahadoor mocht daarom iets vragen. Hij vroeg om de bootverbinding tussen Nickerie en Skeldon in Guyana te mogen onderhouden. Daarvoor kreeg hij van de gouverneur de vergunning. Maar zijn auto- en busbedrijf is me echt bijgebleven. Pas later kwamen personen als Lampa, Bhaan, mijn broer en Rambadjan met een taxibedrijf”.

Taxibedrijf Rambhadjan aan de Gouverneurstraat rond 1950

Dalbahadoor was een groot en zwaar gebouwd man. Hij sprak altijd rustig en maakte altijd tijd voor zijn medemens. Had veel aandacht voor zijn familie. Hij was niet werkschuw. Zo heeft hij ook gewerkt voor een oliemaatschappij, die in de eerste helft van de vorige eeuw al olieboringen deed in Nickerie. De boringen werden o.a. verricht bij de Bolletriekreek te Henar. Een boorput had je waar nu het huis van familie Dalgety staat.

Bernhard, Juliana en Beatrix, donder op het plein

Britchbasie Dalloesingh is geboren op 14 augustus 1924 . Zij vertelt dat zowel de auto’s als de bussen van Dalbahadoor, een naam hadden. Zoals Jiwan Latta, Royal Express en Road master. Channai, Kasinath, Ghirrao en Pare waren zijn chauffeurs. Een zuster van Dalbahadoor was getrouwd met Rambadjan, met wie hij later een samenwerking aanging. Dan vertelt ze ook over het voorval van de boot van de gouverneur. Ingenieur van Dijk en Harry Hermelijn hadden aan de motor gewerkt. Niets mocht baten tot Dalbahadoor zich ermee bemoeide. Of het voorval in het theater van Djassoe Sitalsingh aan de Gouverneurstraat, dicht bij de Waterloostraat. Men was net overgegaan van de zogenaamde stille films naar films met geluid. De operator wist niet met de projector om te gaan, waardoor er geen geluid was. De mensen begonnen om teruggave van hun geld te roepen. Dalbahadoor werd er bij gehaald, en die avond kon de filmvoorstelling voortgang hebben. Maar wat mij opviel was, dat Dalbahadoor gewaardeerd om zijn kennis, voor ons een dochter had achter gelaten, die uit het hoofd kon dichten en de zangkunst machtig is. Op een dag moest zij voor een gesprek bij de toenmalige D.C. van Nickerie, Rashid Doekhie in verband met een vergunning die ze had aangevraagd. Op de vraag die hij haar stelde, wie ze was, of zij Nickeriaanse was en wat ze wilde antwoordde zij als volgt:” Ik wilde niet trouwen, maar moest dat in 1940 met Oemrawsingh die als voornaam had Mahadewsingh. Ik ben Nickeriaanse en Nickerie behoort aan mij, zolang ik heb te leven. Gerarda is mijn naam, mij door mijn doop gegeven. Dalloesingh is mijn faam en al mijn vaderlijke stam. Nickerie, is de plaats waar ik ter wereld kwam, door mijn vader niet geschoold, maar met een goed verstand. Erg knap als hij was, maakte hij kleine bootjes op de plantage Hazard, werd toen een grote monteur en genie. Noem een auto, hij had die. Van Nieuw Nickerie naar Springlands, voerde zijn boot Prinses Margriet”. D.C. Doekhie wist niet wat hij hoorde. De vergunning werd toegezegd. Rooms Katholiek gedoopt leerde zij van Pater Petrus en Frans het Latijns. Zingt Latijnse liederen. Ze is tot de zevende klas van de St. Claraschool geweest. Was een tijdje in Radjpur in Paramaribo. Leerde op noten zingen bij meester van Kanten. Ze speelde piano en zong de eerste en tweede stem. Als klein meisje op de Claraschool zong zij toen prins Bernhard en Prinses Juliana trouwden een liedje. Dat liedje kent ze nog steeds. Op mijn verzoek zingt zij het voor ons:”

Juliaantje onze prinses van Nassauen. O wij bieden blij van geest. Allerbeste heil en zegen op uw blijde huwelijksfeest. Vlaggen wapperen vrolijk uit, voor prins Bernhard en zijn bruid.

Heden stapt gij in het huwelijksbootje, u prins Bernhard staat aan het roer. Mocht gij somstijd door de storm moeten varen. Neen, uw boot zal niet vergaan. Vlaggen wapperen vrolijk uit, voor prins Bernhard en zijn bruid”.

En toe prinses Beatrix geboren werd zong zei:” De kanonnen klonken in het morgen uur als donder op het plein. De Oranje zon ging op met groot plezier voor ons prinsesje klein. Alle kinderen gooiden de muts en pet in de lucht met grote pret. Ter eer van ons prinsje, leve het prinse kind hoera hoesee.

Onze Bernhard viert nu feest, Juliana zegeviert het meest. Nederland en Overzee, viert nu blijde met ons mee, hoera, hoesee”. Zelf heeft Britchbasie 13 kinderen gehad, 9 zonen en 4 dochters.

Inderbasie met Roy

Volgens Inderbasie Dalloesingh geboren op 24 januari 1947, sprak haar vader voornamelijk Engels. Hij woonde later te Longmay waar hij een groot perceel had gekocht. Daar kweekte hij schapen en doksen. Op zijn eentje at hij een hele doks. De man van Inderbasie, Roy Sahadew Mahadewsingh kan zich nog de vele auto van Dalbahadoor herinneren. Zoals de Chyvrolet Styleline Station Wagon van 1950, en de Chyvrolet Bel Air 2400 van 1953.

Of de oranje- witte Plymouth Belvedère Hardtop 6 cylinder 3569 c.c. van 1954. Deze wagen reed hij op de weg van Hamtoncourt tot de “turning point”, dat is waar nu de Oost- West verbinding loopt. Die was er toen niet. Dan kwam een ieder naar de auto van baas Dalloe, om naar radio Guyana via de autoradio te luisteren. Hij zelf was altijd netjes gekleed. Hij hield van autorijden. Zijn zonen Max en Pai-Pai hebben jaren de busroute Paramaribo-Nickerie onderhouden, gevolgd door hun zonen Bolle, Richard, Fernando en Seties Dalloesingh. Dalbahadoor Dalloesingh blijft voortleven in de Nickeriaanse geschiedenis, zolang de naam Dalloesingh en transport zich blijven verenigen.

K.R.Donk, 26 juni 2008.

De oud-dorpsgemeenten van Nickerie

Het instituut dorpsgemeente werd in Suriname in de eerste helft van de vorige eeuw ingesteld. In Nickerie waren er tot de jaren zeventig 4 dorpsgemeenten actief. Met Ali Sewrutton, de gepensioneerde Distrikts-Secretaris en vier ex-dorpshoofden, gaan wij terug in de geschiedenis van de dorpsgemeenten.

Drie kokerpunt te Sawmillkreekpolder anno 2008

 

Kielstra stelde de dorpsgemeenten in

Als ambtenaar werkzaam bij de bestuursdienst, had Ali Sewrutton, een zeer nauw contact met de dorpshoofden en dorpsgemeenten. Over het instituut dorpsgemeente vertelt hij het volgende:” In 1938 nam de overheid het besluit om in Suriname dorpsgemeenten op te richten. Deze bestuurlijke eenheden kwamen in meerdere districten voor. Met het dorpsgemeente besluit G.B. 1938 no. 66 in handen, werden door gouverneur Kielstra de dorpsgemeenten ingesteld. In Nickerie werden de dorpsgemeenten Paradise ( 673 percelen, 690 ha.), Longmay ( 411 percelen, 390 ha.), Nieuw Waldeck ( 232 percelen, 100 ha.) en Sidoredjo ( 202 percelen, 150 ha.) opgericht. Deze voormalige vestigingsplaatsen, verlaten plantages die bewoond werden door voornamelijk nakomelingen van slaven en contractanten, kwamen het meest in aanmerking, om tot dorpsgemeenten te worden verheven. Voor de gemeenschap is het goed vast te leggen, dat Nickerie naast de bestuurslaag dorpsgemeente( bestuurskundige eenheid) ook het waterschap( waterstaatkundige eenheid) heeft gekend. Het waterschap wordt nu nieuw leven ingeblazen, na ongeveer 10 jaren verwaarloosd te zijn. In 1981 werden met enkele uitzonderingen, de dorpsgemeenten opgeheven onder het bewind van minister Leeflang”.

Discipline, gehoorzaamheid en gezag

Oud dorpshoofden en leden

Ali Sewrutton en ik brengen een bezoek aan nog vier in leven zijnde dorpshoofden of Loera’s. Te Sidoredjo in de westelijke polders spraken wij met Poniran Redjosetiko. Hij is geboren te Sidoredjo op 14 juni 1927. ” Van 1953 tot en met 1981 was ik dorpshoofd van de dorpsgemeente Sidoredjo. Voor mijn aantrede had je verscheidene Loera’s gehad. Het eerste dorpshoofd was Saban, die woonde aan de Djakartaweg. Na hem volgden papa Djojo, Wagiman, Koulen ( hij was opzichter bij OW), Tjokro, Soinangoen, Ngadiman, Sastrohardjo en Salomoen.

Ik heb onder verschillende bestuursopzichters en commissarissen, te beginnen met Van Petten, gewerkt. De bestuursopzichters waren Sweet, Vieira, Sharma, Girjasingh, Bridjkisoor, Sewrutton en Mac-Intosh. Ik moest ervoor zorgen dat de dorpsgemeente er goed uit zag. Kanalen, dammen en wegen werden altijd goed onderhouden. Vanaf het gemaal te Clarapolder werden alle hoofdleidingen en secundaire leidingen schoon gehouden, naast de lozingen nabij de percelen waar de mensen woonden. Naar reden van de grote van de percelen droegen de mensen financieel bij, om de werken in de dorpsgemeente uit te voeren. Er was discipline, gehoorzaamheid en gezag. Het locaal bestuur werkte prachtig mee aan het bereiken van de gestelde doelen. Als ik de situatie van toen met nu vergelijk, dan constateer ik dat het nu pinaren is. De meeste lozingen zijn dicht begroeid met allerlei planten. De dammen zijn overwoekerd met struiken en planten. Vroeger deden wij alles met houwers en spierkracht. Nu heeft men machines, maar alles ziet er totaal verwaarloosd uit. Van de bestuursdienst gaat er weinig gezag uit”.

 

Mensen volgden een meewerkende overheid

Met Poniran gaan wij naar Ramsahai Girdhari. Hij is dorpshoofd geweest van de dorpsgemeente Nieuw Waldeck.

” Ik ben geboren op 12 april 1928 in de van Drimmelenpolder serie A nummer 10. Toen ik dorpshoofd werd van Nieuw Waldeck had, je in geheel Suriname 23 dorpsgemeenten. Ik was als dorpshoofd de enige hindostaan, die de post bekleedde. Het was heel prettig werken met de gemeenschap van de dorpsgemeente. Ik heb onder verschillende commissarissen gediend, zoals Van Petten, Quintus Bosch, Parabirsingh, Robles Biharising, Adjodhia, Bharos en Soe A Ngi. De bijdrage die de bewoners van de dorpsgemeente leverden voor onderhoud was tien gulden per hectare. Daarvan werd een goede administratie via de bestuursopzichter gehouden. Het bestuur van de dorpsgemeente kende een secretarisontvanger. De bewoners gedroegen zich correct tegenover de ontvanger. De bevolkingssamenstelling van de dorpsgemeente waldeck was als volgt: 80% hindostaan, 15 % javaan en 5% creool. Waldeck was een sieraad om te zien. Je had een tegemoetkomende overheid en de mensen volgden dat voorbeeld. De ingezetenen hadden respect voor het gezag. Bestuursopzichter Ali was erg populair. Als het dorpshoofd naar de commissaris ging, soms met enkele van zijn bewoners, werd hij als gezaghebbende direct ontvangen. Nu wacht ik al drie jaren voor verlenging van mijn winkelvergunning”. Wij lachen hartelijk om deze laatste opmerking. Maar dan is het tijd om op te stappen en te gaan naar het volgende ex- dorpshoofd, die woont te Longmay.

Giman Pawirosemito, Ramsahai Girdharie, Ali Sewrutton, Poniran Redjosetiko en Parman Kariojokromo (van l n r, exdorpshoofden met Ali)

Je werkte dag en nacht voor een beetje geld

Giman Pawirosemito is geboren op 10 april 1928 te Waterloo. Hij was Loera van de dorpsgemeente Longmay van 1 oktober 1969 tot en met 16 juli 1980. “Mijn voorganger was Loera Parman. Als dorpshoofd kreeg je geen betaling van de overheid. Wel een vergoeding van vijftien gulden per maand. Daarnaast kreeg je 5% van de belasting, die de bewoners voor onderhoud van de dorpsgemeente betaalden. In feite werkte je dag en nacht voor dat beetje geld. Overdag moest je nagaan wat in de gemeente gebeurde en ’s avonds moest je vaak vergaderingen bijwonen. Je had wel wat privileges. Zo hoefde je geen huurbelasting te betalen en je had vrije geneeskundige behandeling. Je werd bij elk feest van de staat uitgenodigd. Onze dorpsgemeente moest zorg dragen voor het schoonhouden van de oostelijke tak van het Van Wouwkanaal. Daarnaast moesten vanaf het drie koker punt( op de hoek van Paradise en Sawmillkreek), alle irrigatieleidingen schoongehouden worden. Het dorpsbestuur bestond uit zes leden, het dorpshoofd, de secretarisontvanger en vier leden. Deze vier leden kregen elk een deel van het gebied onder hun beheer. Zij gingen op mijn instructies op controle uit. In een schrift kregen zij hun opdrachten mee. Als de lozingen niet waren onderhouden, tekende ik niet voor akkoord, als de bewoners geld bij de bank wilden lenen. De commissaris en de bestuursopzichter tekenden mee. De irrigatie leidingen moesten echt schoon zijn, terwijl de gronden van de dammen totaal van wied moesten zijn ontdaan. Bij dambreuken namen wij poolshoogte. Als personen illegaal kokers aanlegden traden wij op. In vergelijking met toen, is alles nu sterk achteruit gegaan. Je kunt vanwege het gras als het ware over de kanalen lopen. Elk jaar hielden wij van de gemeente een dorpsoogstfeest. Het spel van ram, Ramlila werd in de vorm van het wayang poppenspel opgevoerd. Alle andere Loera’s, de commissaris en de bestuursdienst werden uitgenodigd. Het feest werd tot laat in de avond ten huize van de Loera gevierd”.

Vóór het jaar 2000, heeft Pawirosemito gevraagd naar de onderstand uit ’s landsdienst, waarop hij aanspraak maakt. Hij heeft jaren voor de staat gewerkt, waarvoor hij een beschikking kreeg van 11 september 1969, no. 100072. Anno 2008 loopt hij nog steeds het commissariaat plat voor zijn onderstand.

Hij is de ontwerper van het javaanse monument op de hoek van de Annastraat en de Julianasrtaat. Als ik hem vraag waarom de javaanse man op het monument naar de grond wijst zegt hij:” Het mannetje geeft aan dat wij op deze grond zijn geboren en daaraan onze krachten moeten geven”.

Merdiedeso’s of oogstfeesten

Ali, Poniran, Ramsahai, Giman en ik gaan voor het laatste gesprek naar Parman Karijoikromo. Hij is geboren op 14 september 1929 op de plantage Hazard. Hij was 31 jaar toen hij in 1960 Loera werd van de dorpsgemeente Longmay. Voor hem waren Jokarso, Atmopawiro en Amatanom dorpshoofd geweest. Het verhaal van Parman, ik noteer een deel, verschilt niet veel van de andere gewezen Loera’s. “ De ingezetenen van de dorpsgemeenten voldeden graag aan hun polderverplichting: verrichte arbeid of begari en polderbelasting,” zegt Parman. “ Als Loera heb ik ook oogstfeesten of merdiedeso’s gehouden. Dit met dank aan Allah, dat het afgelopen jaar veilig, prettig en gunstig is verlopen. Er verdraagzaamheid, samenwerking en tevredenheid is geweest. De inwoners brachten op die dag van huis eten en lekkernijen mee en tot in de vroege ochtend werd genoten van het wayangspel. Pawirosoedarmo maakte de poppen voor dat spel, dat hij opvoerde op Paradise, Longmay, Waldeck en Sidoredjo”.

De Loera’s van de dorpsgemeente Paradise leven helaas niet meer. Bekende loera’s van Paradise waren Sairan en Sardi Moengoenkarijo. Gelukkig hebben wij voor u, het relaas van de nog levende dorpshoofden, allen boven de tachtig jaar, kunnen vastleggen.

K.R.Donk, 8 april 2008.

Suikerplantage Hamptoncourt

Het is omstreeks drie uur in de middag, wanneer Phillip Dikland, nog steeds vergezeld van zijn vriend Jan de Bruin, zijn tocht op zoek naar de overblijfselen van de oude plantages in het district Nickerie voortzet. De zondagmiddag is nog jong, wat maakt dat de zon zich nog danig doet gelden. Toch zijn Phillip en Jan optimistisch gestemd, hoewel zij geen enkele aanwijzing hebben, die zal leiden om iets van de oude plantage Hampton Court te kunnen vinden. Niet vermoedende dat hun inzet spoedig opnieuw rijkelijk bekroond zal worden, genieten zij van de schoonheid van het polderlandschap waarlangs zij gaan.

Suikerplantage Hamptoncourt

Fraaie Rijstpolder voor kleinlandbouwers

De stoffige Fridericiweg is redelijk begaanbaar, daar het een poos niet heeft geregend. Inmiddels is er al langs de Sawmillkreekpolder en de Boonackerpolder gereden, om de Hampton Courtpolder te bereiken. Op deze tocht van verkenning is op sommige momenten de drang moeilijk te weerstaan de wagen even te stoppen, om het fraaie landschap, de boompartijen op de polderdammen en de typische bewoning te fotograferen.” Wacht even Pillip”, zegt Jan. “ Ga een beetje achteruit zodat ik een foto kan maken van de partij cocospalmen in het rijstveldje op de dam links van ons. Het is toch verbijsterend hoe mooi dit land toch wel is. Waaraan zou het kunnen liggen dat net als in de rest van het land, het volk naar mijn mening toch met een zekere mate van onverschilligheid omgaat met hun schone natuur. Is het een kwestie van niet leren kennen en waarderen van dit waardevol bezit, of is het een rasgebonden kwestie, of speelt de cultuur een rol. Of moet gewoon de attitude van de in dit land wonende mensen veranderd worden”. Er ontstaat een korte maar boeiende discussie over dit onderwerp,van cultivering en tot bloei brengen van het land en hoewel het antwoord niet direct gevonden wordt is het bijna zeker dat de oplossing waarschijnlijk ligt in de verandering van attitude.

In dit deel van Hampton Courtpolder vallen de lange houten bruggetjes, die de oude vaartrens overspannen, direct op.Typisch met hun eigen schoonheid en waarde voor het gebied. Aan de overzijde staan de huizen aangenaam in de schaduw van de vele fruitbomen, waarbij de manjabomen, de roodborsje, een groot deel daarvan uitmaken. Zij die het weten zeggen het. “ De lekkerste roodborsjes, oranje-rood met wat geel gekleurd, zijn in Nickerie te vinden”.

“ De polder is thans een fraaie rijstpolder voor kleinlandbouwers”, bedenkt Philips zich, als hij die met zijn Isuzu pickup doorkruist. “ De polderverkaveling is aangelegd met inachtneming van de hoofdopzet van de oude suikerplantage. Zo is de oude vaartrens van de plantage thans het toevoerkanaal, vanwaar de velden onder water worden gezet. Rijstvelden worden bewerkt en op sommige velden heeft de inzaai al plaats gevonden. Niet alleen het jonge gewas heeft grote hoeveelheden water nodig, maar ook voor de natte bewerking van de velden is water onontbeerlijk. Daarom staan er hier en daar vijzelpompen ( de zogenaamde Vadinipompen, afgeleid van Van Dijk Nickerie ) in werking. Van Dijk ,de pionier van de mechanische rijstbouw in Nickerie.

Inspanning wordt beloond.

Bij de kruising van de Fridericiweg en de Oost-West verbinding aangekomen, wordt rechts afgeslagen. Na een poosje richting Henar te hebben gereden wordt de weg van Krappahoek ( de Krappahoeklaan) opgereden. De weg die voor wat de Hampton Courtpolder betreft evenwijdig loopt aan de Fridericiweg.

Zowat aan het begin van de Krappahoeklaan aangekomen, dus nabij de Nickerierivier, besluit Phillip enkele jonge mannen te vragen of ze informatie hebben over oude sluizen in het gebied. Het is frappant om te zien hoe het geluk Phillip toelacht. Er zou iets verder voorbij Krappahoek een plantage Gloria hebben bestaan. Daar zou er nog een oude sluis zijn. De kleinlandbouwer Balie, een van de jongemannen,zou spontaan de weg wijzen. De smalle weg rechts wordt daarvoor genomen. De weg loopt min of meer langs de rivier. Het was de oude weg over de voordammen van de plantages Krappahoek en Gloria en leidde tot het gebied dat later Henar werd. Halverwege de weg naar Gloria wordt een stop gemaakt. Daar heeft Balie met nog enkele personen een stuk grond met groenten en watermeloenen beplant. En daar Phillip en Jan al de hele dag onderweg zijn, al de plantage Hazard bezocht hebben ( zie editie van do. 29 jan. 2004), de innerlijke mens zeer droog aanvoelt, smaken de aangeboden meloenen zeer goed . Het mag gezegd worden, ze zijn zeer gastvrij door Balie ontvangen. Uiteindelijk wordt de locatie van Gloria bereikt. Helaas blijkt de daar aanwezige sluis niet al te oud te zijn. En van de plantage gebouwen, de directeurswoning, het hospitaal e.d. is er niets meer over. Wel liggen er overal kapotte bakstenen,leien en stukjes porselein. Volgens Balie staan er nog restanten van de steiger langs de kreek die naar de rivier leidt. Aan de overzijde van dezelfde kreek moeten er nog graftomben liggen op de oude begraafplaats. Dat wist hij van zijn vader. Maar vanwege de sterke begroeiing en er geen boot voor de oversteek is, kan dat niet worden onderzocht.

De terugtocht wordt aanvaard. Terug gekomen bij Krappahoeklaan wordt Balie bedankt. Maar iets gebiedt Phillip toch nog iets te vragen. “ Of er nog ergens iets ligt van de oude suikerfabriek van Hampton Court”. Hoe gek het ook mag klinken. Het antwoord is verrassend, bevestigend. Zo,n 700 meter verder, midden in de

Dikland bij stoommachine van plantage Hamptoncourt

rijstvelden op een tussenhoofddam, liggen er nog delen van oude machienes. Het zou wel een tocht te voet door de rijstvelden worden. Hitte, dorst en vermoeidheid, zouden geen hinderpaal kunnen vormen, nu toch alle inspanning beloond zou worden. Wat vele mensen in Suriname niet weten, zelfs in Nickerie niet, zou eindelijk bekendheid krijgen.

Hoe het was.

Wat hij weet vertelt hij, Phillip graag :“ Het is 1843 wanneer Hampton Court al geruime tijd in bedrijf is. De naam “ Hampton Court” ( een der oudste koningspaleizen in londen) is een bekende plantagenaam in de Engelse koloniën. Ook in Essequibo en Jamaica zijn er plantages met die naam. George Nicholson is de eigenaar en J.Beerenstijn fungeert als dircteur. In 1889 bedraagt de opervlakte van de plantage 319 hectaren, waarvan 145 in cultuur. De eigenaar is de boedel L.Carbin. De plantage wordt beheerd door R.K.Shields en R.J.Carbin. Als gezagvoerder treedt op W.J.Ellis. Geproduceerd wordt 500 ton muscovado suiker en 145 ton melasse”. Phillip realiseert zich daarbij dat vacuumsuiker dan niet werd gemaakt, vermoedelijk werd de suiker nog bereid in open pannen volgens het jamaica-train systeem, op een wijze die in die tijd allang verouderd was.

Stoommachine, pers en graftombe.

Restant van de stoommachine van Hamptoncourt

De late middagzon staat niet zo hoog meer, maar geeft toch nog zijn hitte. Af en toe brengt een bries afkoeling. De rijstvelden zijn dan droog, dan weer nat en de grond zeer ongelijk vanwege het ploegen. De ademhaling wordt zwaarder en frequenter en de benen die steken in de laarzen voelen zwaarder aan. In de wind bewegen zich af en toe de jonge rijstplanten als jonge danseressen op de tonen van de Indiase muziek, de ritme van de dhool, de tabla en de fluit.Veel aandacht kan hieraan niet besteed worden, want de locatie waar naar toe wordt gelopen komt naderbij. Veel wordt niet gezegd; een ieder is bezig met zijn eigen gedachten.

Na een laatste opstakel, een aanvoerkanaal, te hebben genomen, is het zover. Balie ,Phillip en Jan staan voor de restanten van een oude stoommachine met heel mooie antieke contouren. Die worden zichtbaar ,nadat die wordt ontdaan van alle wied die er bezit van heeft genomen. Hij ligt op zijn zij, de peilers doorgeroest, maar een deel van de zuiger is nog duidelijk zichtbaar. Een waardevolle fonds. Bijna onzichtbaar onder klei bedolven liggen twee rollers van de suikerpers,waarvan delen van de tandwiel zichtbaar zijn. In de omgeving zijn er delen van stoomketels. Het oude emplacement van de fabriek is gevonden, ligt temidden van padivelden. Niet ver daarnaast lagen de woningen van de directeur en de arbeiders. Op een “ eilandje”, de boeren hebben dat deel nooit geploegd en beplant, zij er nog de

Donk, filmt graftombe van plantage Hamtoncourt

restanten van een oude graftombe. Enkele boeren die bezig zijn water te pompen in de rijstvelden komen toelopen. Een hunner weet te vertellen waar heel lang terug het grote huis van de directeur van de plantage stond. Dat had zijn vader een immigrant uit Brits-Indie hem verteld. Phillip en Jan zijn blij en gelukkig. Wederom is een deel van de plantagegeschiedenis van Suriname in het bijzonder nu die van Nickerie, blootgelegd. Hij weet dat de Nickeriaan nu wel zal moeten beseffen, dat datgene dat er nog staat behouden zal moeten worden. Maar voor hem is het werk hier niet afgelopen. Niet ver hier vandaan liggen de oude plantages Paradise, de eerst volgende bestemming, en daarna Nursery met hun vele verassingen te wachten om hun geheimen prijs te geven…

K.R.Donk, 1 februari 2004

 

Sarmidie, na 55 jaar terug op Krappahoek

Op 20-jarige leeftijd vertrok hij met zijn pleegouders Kadi en Sati naar Indonesiё.

Sarmidie, met ouders en zusters

Hijzelf die te Krappahoek in Nickerie op 29 maart 1934 is geboren, kon toen niet vermoeden, welke invloed deze stap op zijn verdere leven zou hebben. Vader , moeder, broers en zusters, verruilde hij, voor een niet al te duidelijke bestemming. Als dan na tientallen jaren Sarmidie zijn geboorteplaats bezoekt, lopen de emoties hoog op. Zeker is het , dat hij voor altijd een innerlijk verdeelt mens zal blijven. Hij en zijn familie, hebben voor Indonesiё een hoge prijs moeten betalen.

Ouders, broers en zusters keken machteloos toe

Sarmidie is twintig jaar als hij te Paramaribo voet zet op de Lankwash het schip van de Rotterdam Lloyd. Het schip dat hem en zijn pleegouders zou vervoeren naar Indonesiё. Zijn ouders eerder als immigrant naar Suriname gekomen hadden 12 kinderen, waarvan hij het zesde kind was. Zij kozen ervoor hem en een zus aan een kinderloos echtpaar toe te vertrouwen. Uiteindelijk besloten deze terug te keren naar het land van herkomst. Met de Perica, die de verbinding tussen Paramaribo en Nickerie onderhield, begon de reis naar de nieuwe bestemming. Broers, zusters, vader en moeder bleven huilend achter op de steiger van Nieuw Nickerie. Machteloos zagen zij de Perica de monding van de Nickerierievier opzoeken, om de bocht nabij Waldeck en tenslotte de laatste bocht naar de oceaan te nemen. Sarmidie is nu na vele jaren terug, in september 2008 aangekomen, is hij er al voor bijna zes maanden. Op zondag 15 februari 2009, komen de hele familie, vrienden

Sarmidie met jeugdvrienden

en kennissen bijeen, want voor hem wordt dan een afscheidsfeest gehouden. Sarmidie is de zwager van Ali Sewrutton, dus zijn hij en ik ook van de partij. Ik ben er voor u, om het verhaal van de eregast vast te leggen. Wirjosemito-Abdoelkadir Hellen, die als tolk daarbij optreedt, verricht goed werk als Sarmidie zijn levensverhaal vertelt:” Ik ben geboren te Plantage Krappahoek aan de Nickerierivier. Mijn vader heette Pawirosoedarmo en mijn moeder Wirjosimito. Als kleine jongen heb ik de Sint Felixschool een Rooms Katholieke school te Hamtoncourtpolder tot de vierde klas bezocht. Ik kan me nog de onderwijzers Banwarie, Rampersad, Panday en Karsowidjojo heel goed herinneren. Ik kon de school best wel aan. Ik kon op latere leeftijd, zowel javaans, als het hindostaans goed spreken. Ik ben niet opgegroeid bij mijn ouders, ik was afgestaan aan een pleeggezin. Ik was het enig kind van mijn pleegouders. Ik hielp mijn pleegvader in de landbouw bij het planten van rijst. Mijn pleegouders waren lief voor mij, ik was hun oogappel. Ik hoefde hen niet te helpen met werken, maar ik koos daarvoor. Ik had veel hindostaanse vrienden, zoals Sitaloe, Soekhlal, Mangroe en Pokai. Javaanse vrienden die ik nog ken zijn Sjaitie, Semin, Sompo, Doegal, Tamser, Senen en Tamdie. Semin Wongsonadi en Senen Kariman zijn hier aanwezig. Ik had ook javaanse vriendinnnen: Poniera, Natmina, Marie en Ponimah. Op een dag vertelden mijn pleegouders mij, dat wij naar Indonesiё zouden vertrekken. Het vreemde was, dat ik mij verheugde om naar het verre land te gaan. Vreemder was het en tot nu toe kan ik het niet begrijpen, mijn biologische broers en zusters was ik totaal vergeten. Ik weet niet waarom ik niets voelde toen ik vertrok. Zou een stille kracht, of goena goena, daarbij een rol gespeeld hebben? Hadden mijn pleegouders daarbij een vinger in de pap? Dat denk ik niet. Feit is, dat ik het nog steeds niet begrijp. Mijn biologische ouders hadden gehoopt, dat ik in Indonesiё mijn familie zou ontmoeten. Maar ik kwam op een heel andere plaats terecht, waardoor dat kontact nooit tot stand is gekomen”.

Er was veel teleurstelling, armoede en verdriet

Sarmidie met tolk Abdoelkadir

Het is een ervaring om te zien, hoe Abdoelkadir als hindostaanse, in vloeiend javaans kontact heeft met Sarmidie. Laat me denken, welk een schat wij in Suriname bezitten, hoe vooral oudere generaties elkaar met de taal van de ander kunnen benaderen. Ik zag dat ook bij de 92-jarige Joseph Alexander Lecton, bij het praten van het Hindi. Sarmidie vertelt dat de reis enkele weken geduurd heeft, om uiteindelijk via Afrika de plaats Padang in Indonesiё te bereiken. Van daaruit hebben de reizigers drie dagen en nachten met de bus moeten reizen om onze eindbestemming Tongar in Sumatra te bereiken. Via Abdoelkadir is zijn boeiend verhaal vlot te volgen:” Wij waren met 117 personen vanuit Suriname vertrokken. Wij werden bij aankomst in barakken ondergebracht. Ons was verteld dat wij veel luxe tegemoet mochten zien. Ons was beloofd, dat wij 5 ha. per persoon zouden krijgen. Wij kregen 1 ha. per persoon aan oerwoud, dat wij zelf moesten ontbossen. Mijn pleegouders hadden 375 gulden per persoon voor de overtocht moeten neertellen. Zij hadden daarvoor hun huis en perceel op Krappahoek verkocht. Wij hadden geen geld meer om naar Suriname terug te keren, dus moesten wij ons onderwerpen aan de situatie: werken, nog net verdienen om te eten. Er was veel teleurstelling en verdriet. Wij hebben ver van de grote steden, lang in armoede moeten leven. Pas na drie jaren, herinnerde ik mijn broers en zusters in Nickerie weer. Ik schreef daarop een brief in 1959, die ik na twee jaar in 1961 terug ontving. De moed zonk mij bijna in de schoenen. Pas na tien jaren heeft een brief van mij, mijn familie in Suriname bereikt. Ik heb daarop een antwoordschrijven ontvangen. Wij wisselden pas na twintig jaar de eerste foto’s uit. Ik trouwde drie jaren na aankomst in Padang met Jatini, die ook was meegereisd met haar ouders. Dat huwelijk hadden onze ouders reeds in Suriname bepaald. Wij hielden van elkaar en bleven 13 jaar bij elkaar. Ik kreeg met Jatini 7 kinderen. Maar ze kon de armoede en het dorpsleven niet aan. Ze vertrok uiteindelijk naar de grote stad Riao, 16 uur verwijderd van Tongar. Ze nam bij haar vertrek, 1 kind mee. Ik trouwde vervolgens met Sarti. Zij was ook met hetzelfde schip als mijn ouders en ik, uit Suriname vertrokken. Zij had een voorkind. Ik met haar geen kinderen gehad. Ik heb nog kontact met mijn eerste vrouw. Soms komt ze bij ons op bezoek”.

Alif Lam Meem

Alif Lam Meem, Ali en Sarmidie op het eind van de tafel

Sarmidie heeft een winkeltje waar hij meubels verkoopt die hij zelf maakt. Veel wordt niet verkocht. In de Dessa koopt men pas iets als men het echt nodig heeft. Twee van zijn kinderen zij onderwijzers geworden. Alle kinderen wonen in de steden. “ Nu ben ik reeds zes maanden in Suriname. Ik huilde toen het vliegtuig Suriname had bereikt. Ik zat vol emoties. Hoewel veel is veranderd, de huizen zijn groter, herken ik toch mijn geboorteplaats. Ik ben nu innerlijk zeer verdeeld, omdat ik terug moet. Ik moet terug omdat ik Sarti die nu oud is niet alleen kan laten. Ik kan haar dat niet aandoen weg te blijven, hoewel het zwaar is nu weg te gaan. In Indonesiё heeft men mij op goed vertrouwen een paspoort gegeven. Ik sta nergens geregistreerd. In feite heb ik al de jaren niet bestaan. Op 29 maart a.s. wordt ik 75 jaar. Ik heb geluk dat ik mijn geboorteland weer kon bezoeken. Mijn reis naar Suriname heeft 3000 Euro gekost, dat door de familie in Suriname is opgebracht. Het heeft 55 jaar geduurd

Sarmidie,(derde van rechts) met broers en zusters

alvorens hier te zijn, omdat ik de reis niet kon betalen. Ik ben enorm blij bij mijn broers en zusters terug te zijn”. Het afscheidfeest voor Sarmidie is emotioneel zwaar beladen. Het is moeilijk te onderscheiden aan welk gemoed de tranen die vloeien moeten worden toegeschreven. Op vele momenten kunnen hij, vrienden en familie hun tranen niet bedwingen. Sarmidie maakt voor u en mij, trots de drukte, speciaal de tijd zijn verhaal vast te leggen. Uit de Koran wordt voor het feest begon, uit het hoofdstuk De Koe, Alif Lam Meem… gereciteerd:” Dit is het boek waaraan geen twijfel is, een leidraad voor de Moettaqoen. Degenen die in het onwaarneembare geloven en de shalaat onderhouden en die bijdragen geven van waar Wij hun mee hebben voorzien…..”.

K.R.Donk, 28 februari 2009.

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl.2

Restant suikerpers op Hazard

Niet lang terug verscheen in de Ware Tijd het artikel: Louise Wilhelmina Gummels dl. 1. Namens tante S dank ik een ieder voor de leuke reacties op het artikel. Alle lof en eer komt in elk geval de 92 jarige tante S toe, aan wie ik de informatie te danken heb. In het bijzonder de informatie over haar moeder Louise Wilhelmina Gummels-Juda, wiens graf ik op de plantage Hazard in Nickerie heb aangetroffen. Daarnaast de informatie over de plantagegeschiedenis van Nickerie die ik mocht vastleggen voor ons nageslacht. Maar wat tante S te vertellen had, was te veel voor een artikel. Daarom zoals beloofd, hier het slotdeel, waarin wij tante S nader mogen leren kennen en van haar verhaal mogen genieten.

Hoe het begon

Het was op 16 november 2003 dat ik met Phillip Dikland op onze speurtocht naar de plantagegeschiedenis van Suriname te plantage Hazard, stuitten op een ongeschonden graf met als opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884- 17 februari 1919, R.I.P.Aangezien niemand ons de informatie kon verschaffen wie daar begraven lag, was ik enorm blij om na bijna twee jaren, op goed geluk, in contact te komen met de lieve tante S. Zij vertelde mij het mooie verhaal van haar moeder, de dochter van de vrijgekomen slavin die eerst Carolina heette en na de afschaffing van de slavernij de naam Judith Hardt kreeg. Zij trouwde met Henrie Juda en kregen samen een dochter, die zij de namen Louise Wilhelmina gaven. Op de plantage Hazard leerde zij George Nicolaas Gummels, die op de plantage als opzichter werkzaam was, kennen. Zij trouwde met hem en samen kregen zij verschillende kinderen waaronder tante S. Tezamen met dit familieverhaal, wordt de plantage Hazard in beeld gebracht.Voor het volledig verhaal verwijs ik u, geachte lezer, terug naar deel 1 van het artikel Louise Wilhelmina Gummels-Juda, verschenen in de Ware Tijd van zaterdag 30 april 2005.

Esseline Louise Gummels

Hoewel ik van tante S haar identiteit volstrekt niet mocht prijs geven, wat ik ook niet heb gedaan, heeft zij na het verschijnen van deel 1 van dit artikel kunnen ervaren, dat het ijdele hoop was, onbekend te blijven. Want u, wist haar te vinden. Daarom mag ik nu tegen u die het niet weet zeggen, dat tante S niemand minder is dan Esseline Louise Gummels, geboren in Paramaribo op 16 oktober 1912. Zij is lief, wijs, scherp en heeft een stem van een jonge vrouw. Op 92 –jarige leeftijd doet zij nog alles zelf in huis. En als u haar thuis bezoekt, moet u niet vreemd opkijken dat zij samen met u een “tikje”, rumcola of zo, met u gebruikt. Is dat haar geheim, zo’n hoge leeftijd te halen? Neen,zegt ze. Ga veel met jongeren om. Voor haar geheugen heb ik zeer veel bewondering. En hoewel zij niet toegeeft lief te zijn, volhard ik in mijn stelling met dezelfde “ koppigheid” die ik van haar heb mogen leren. Zij gaat door dik en dun voor haar mening, nadat zij de echtheid daarvan heeft kunnen beargumenteren. Over een ding kunnen wij het niet eens worden. Zij zegt dat zij met haar hoge leeftijd niet mooi is, maar ik blijf erbij, zij kleedt zich in stijl en is lief en mooi. Ik probeer haar te overtuigen met de stelling, dat de vrouw de personificatie van de liefde is. “Zie de moeder”, zeg ik. Is het niet zij die wanneer de mens die ter aarde komt, zij haar warme zoete melk aan hem te drinken geeft, zodat hij het verdere levenslicht, het leven mag blijven aanschouwen. Daaruit kracht mag putten en tot volwassenheid mag komen, ook vanwege de liefdevolle verzorging die gegeven wordt. Dus ik vind haar mooi, toch mag ik van haar geen recente foto publiceren, vandaar dat ik gebruik maak van een oude foto uit haar jongere jaren.

Hazard, de fabriek rond 1890

Met tante Esseline gaan wij nu terug in de tijd als zij over de plantage Hazard vertelt:” De gebroeders van Tholl , Challie en Williams, kan ik mij zeer goed herinneren. Een werkte in de smederij van de fabriek en de andere in de timmerloods. In de middag als ik met mijn broertje op de trap van het oude echtpaar Giliard zat, want wij zaten daar vaker in de middag, kwamen de broers langs. Opa en Oma Giliard woonden bij een zijweggetje dat uitkwam bij de fabriek. En als de broers ons zagen dan was het altijd:” Dag essie, dag broerie”. Mijn broer werd broerie genoemd”. Tante Esseline moet er even om lachen als ze er nu naar terug denkt. Van opa Giliard kan zij zich herinneren dat hij een prachtige man was. Hij had zoals zij het zegt, vreselijke lange nagels. Hij had heel lang op de plantage gewerkt als veldopzichter om uiteindelijk te eindigen in de fabriek.

“ Ik weet”, zegt zij,” toen woonden wij op de naburige plantage Waterloo en hij kwam bij ons thuis voor een feestje met de opzichters. Toen vertelde de administrateur van de plantage, meneer Gorden, aan de aanwezigen dat Opa Giliard weer op de muilezel naar het veld ging. Gorden sprak van Peter Pan, die werd toch nooit oud. Maar Giliard was toen al heel oud, boven de zeventig moet het zijn geweest. Maar omdat het zeer slecht ging met de suiker, dus met de plantage, moest hij weer het veld in als opzichter. Kijk, je had geen enkele sociale verzekering in die tijd. Als je wilde overleven moest je werken. Je werkte tot je erbij neerviel, klaar. Geen enkel gebaar, niets. Mijn vader heeft hoewel hij een topfunctie had, geen enkel rooie cent pensioen gehad. Hij had op zijn oude dag geen geld. Sparen ging moeilijk, of je moest vreselijk gaan stelen en onbetrouwbaar zijn”. Ik probeer dit niet te begrijpen en wijs tante erop, dat haar vader toch directeur van de plantage was. “ Wat dacht je dat een directeur verdiende? Duizenden?” Gaat zij verder. “ Helemaal niet. Dan had je altijd een heel gezin die je in Paramaribo moest verzorgen. Want de plantage had geen school. Geen enkele planter of opzichter is in die tijd rijk geworden, of je moest hebben gestolen. Het zijn de plantage-eigenaren die van hun bezit rijk werden. Voor knoeien moest je niet bij mijn vader Gummels zijn, neen echt niet. Hij heeft tot zij zeventigste op de plantage gewerkt. De laatste jaren op de plantage Alliance te Commewijne totdat die aan het gouvernement is verkocht. Hij kreeg toen een onderstand van het gouvernement, eigenlijk niet de moeite waard. Hij heeft toen tot zijn dood voor de firma Fernandes gewerkt”. De vader van tante stamt af van de stamvader Gerard Heinrich Gummels met Jorjean Christie.

Mardie

Op zich vond tante Esseline het leven op de plantage gezellig. In Paramaribo ging zij op school en bleef bij de familie Lobato aan de Wagenwegstraat waar nu de zaak Sweet Hart is. Er stond toen een soort grote dubbele woning, tweehuizen onder een kap. Daar hebben de gebroeders Spence: Bob, Tom, Freddy en George, Just ter Meer en zijn broers en de jongens Stuger, wier vader ook opzichter op plantage Hazard was, gewoond. “Ik was een prinses tussen al die jongens”, zegt tante. Ze zegt daarna nog iets, maar daarop staat censuur. Niet slecht hoor, maar de vrouwen zouden boos op haar worden. Als de vakantie aanbrak, dan was het tijd om naar de plantage te gaan. Wegens ziekte mocht zij in haar kinderjaren zelfs een jaar lang op de plantage blijven. De familie Spence kent zij nog heel goed. De vader kwam uit Schotland, die heette Charles. Hij had een hindostaanse vrouw die mother werd genoemd. Zij noemt de kinderen in volgorde: Kitty( getrouwd met Goodings), Challie, Elisabeth( Bessy), David, Bob, Thomas(Tom), Freddy, George, Lussy en Annie. Ze hadden allemaal slechte ogen en droegen een bril. Freddy zei altijd volgens tante: “ Nog een nummer hoger, nog een nummer hoger, en ik ben blind”. Hij bedoelde dan de sterkte van de glazen. Ai, wij moesten toch wel even lachen om die Freddy. “ Het leven op de plantage was voor haar als kind, heerlijk. De immigranten kookten de dingen zoals we die nu kennen. De javanen maakten bijvoorbeeld hun bamie en nasie. Er was veel wild en vis op de plantage. Veel gevogelte, zoals bosdoksen en de verschillende eenden. Denk aan de skoertjies. Wij aten twee keer per dag warm op de plantage. Er was ook vee op de plantage die melk en vlees leverde. Een slagerij heb ik niet gezien, maar er kwam wel vlees op tafel. Er waren speciale kokkinnen die zorgden voor de maaltijden. Op Hazard was de keuken tegen het huis aangebouwd. Een enorme keuken met een groot fornuis, dat een schoorsteen had. Het fornuis werd met hout gestookt. De hel was nog koeler dan onze keuken denk ik. Vreselijk was het. Dan had je nog een bijkeuken met een rij koolpotten. Je had in de keuken ook een brandmirrie, een soort stenen aanrecht met ijzeren staven. Daarop werd ook gekookt. Het huis was groot. Er waren schoonmaaksters en wasvrouwen. Er moest veel geschrobd worden. Er was een tuinman en een muleboy, die moest voor de muilezelzorgen en water naar het veld dragen. Daarnaast maakte hij dagelijks de leggings, de kaplaarzen van mijn vader schoon. Verder begeleide hij mijn vader naar het veld samen met de battoboi. De laatste moest met een soort bootje( platte houtenkist), mijn vader over de vele transportkanalen die de plantage kende, zetten. Bij het kanaal bleven zij dan wachten tot de opzichter verder moest naar andere kavels. De muleboy heb ik vele jaren later in Paramaribo ontmoet. Hij werkte als wachter bij Varenkamp. Hij herkende mij niet, maar ik hem wel. Toen ik na sluitingstijd in de avond gehaald moest worden, stond hij al op wacht. Hij zei toen tegen mij, toen twee jongetjes passeerden,:” Toen ik zo klein was moest ik al op de plantage werken”. Ik vroeg hem welke plantage. Hij zei Waterloo in Nickerie. Toen zei ik hem,:”Ken je meneer Gummels dan?”. Toen zei hij: ”Ach ja, tuan besar ”, wat betekent zoiets als de grote heer, zoiets als saheb. Toen zei hij dat mijn vader kinderen had en noemde al de namen. Ook Esseline die hij een mooi meisje vond. Toen zei ik : “Wat zeg je , ze was een mooi meisje ,kijk goed naar me”. Toen begreep hij dat Esseline voor hem stond. Hij was zo blij. Hij sprak er met de collega’s nog dagen over de tijd op de plantage. Hij heette Mardie Het was een heel mooi moment”. En toen tante dit vertelde, deed het mij echt gevoelen, dat wij samen in een historische roman waren. Ik besefte dat ook de muleboy heeft moeten presteren. “Mijn vader bleef geen dag thuis”, gaat tante verder en ik hang aan haar lippen. “Hij hield van zijn werk en de productie betekende veel.

De mensen van de plantage hadden vrij suiker. Maar als je wist hoe de suiker in bulk werd opgeslagen, at je het niet. De arbeiders stapten zo in de suiker, om die in zakken te scheppen. Alles gebeurde toen handmatig”. Ik kan me als kleine jongen herinneren dat mijn moeder aan ons zei, de klontjes die in een hoeveelheid suiker voorkwamen niet te eten. Ons werd verteld dat als de javaanse arbeiders moesten spuwen, daarvoor niet naar buiten gingen en dat gewoon in de suikerhoop deden. Dat werden dan de klontjes. Of het een grapje was weet ik echt niet. Maar dat handmatig verwerken van die suiker, dat bevestigt tante wel. “De plantages kenden ook winkels”, zegt tante. Een chinesewinkel met een echte plantage chinees, die de gewone dingen verkocht als zoutvlees, bakkeljauw en snoep, zoals de watrakan en liktongo. En wat ik zeker weet, Huntly en Palmer beschuit. De van het, echte dure beschuit die kwam in lange blikken. Die krengen bleven natuurlijk te lang in de winkels. Vervaldata kende men niet. Een keer moesten wij kinderen naar een javaans feest. We kregen geld voor de danseres, want die kreeg van de gasten geld voor het dansen. Wij gingen helemaal voorin zitten. Thuis werd ons gezegd, wat je gegeven wordt moet je eten. Geen vieze gezichten trekken hoor. Nu, wij zaten en wij kregen die beschuit, helemaal boekoe. En daarnaast een soort witte softdrink uit Guyana, die volgens ons smaakte naar kakkerlak. Maar we hebben alles lekker gegeten en gedronken”. Van dit laatste moesten wij wel echt even lachen. Wat kinderen toch wel moeten doen. “Er was ook een bakkerij op Waterloo. Die was van de Duitser Bohm. Die heeft later zijn bakkerij naar Paramaribo overgebracht aan de Watermolenstraat”. Tante vraagt mij of ik die bakkerij gekend heb. Ik zeg van nee. Zij geeft als antwoord dat zij echt ziet dat ik niet van Paramaribo ben. Maar ze vergeet dat ik pas 52 jaar ben en zij 92. Ik was te jong om die bakkerij in Paramaribo gekend te hebben.

Wij lachen dan weer om die kakkerlakken en die boekoe beschuit… Tante zegt bescheiden dat de dingen die zij heeft kunnen vertellen, de herinneringen van haar jeugd zijn. Maar ik ben dankbaar die te mogen horen en het zal mij verblijden te vernemen dat ook u lezer, ervan heeft genoten. Nickerie zal dankbaar zijn, dat een deel van de geschiedenis van de eens bloeiende plantages is blootgelegd. Hoewel Esseline Louise Gummels haar moeder op 11-jarige leeftijd te Hazard heeft verloren, heeft haar hardwerkende vader, zijn kinderen, haar toen groot gebracht en aan ons geschonken. Zijn leven is niet tevergeefs geweest, want van tante Esseline zullen wij nog meer horen . Met lof aan Louise Wilhelmina Gummels-Juda en George Nicolaas Gummels.

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl. 1

Donk en Dikland op Hazard

Het was op 16 november 2003, dat ik samen met Phillip Dikland tijdens onze speurtochten naar restanten van plantages in Suriname, in dit geval de plantage Hazard te Nickerie bezochten. Waren we verrast door het tegenkomen van de restanten van een beddensysteem waarop suikerriet gestaan heeft, van de suikerpersen, stoomketels, pontons e.d., tot onze grote verassing troffen wij een graf aan.Een ongeschonden graf met het opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884 – 17 februari 1919, R.I.P.Wie is de persoon die daar begraven ligt? In Nickerie kon niemand ons dat zeggen, maar het antwoord kwam onverwacht toen ik in contact kwam met de 92-jarige tante S.

Op dinsdag 5 april 2005, meer dan een jaar na mijn bezoek aan Hazard, bezocht ik tante S. thuis, te Paramaribo Noord. Tante S, niet te verwarren met tante S van “Rayman is Laat”. Ik mag van tante S haar volledige naam niet vermelden en geen recente foto in de krant plaatsen, wat ik jammer vind. Wel eentje van 1926 in gezelschap van anderen als zij op een muilezel van de plantage zit, echter mag ik niet aangeven wie van de drie dames tante S is. Het was tegen 4.30 uur in de middag dat ik bij haar thuis aankwam. Ik werd vergezeld door mijn vrouw G.Donk-Bipat, wat achteraf een goede keus bleek te zijn. Het gesprek met de vriendelijke tante S., verliep daardoor zeer vlot, zij voelde zich op haar gemak en wij werden al gauw familie van elkaar. Had ik haar alleen bezocht; wij zouden beiden misschien wat terughoudend zijn geweest. Toen wij bij de poort stonden, kwam zij van achter de voordeur te voorschijn om ons te ontvangen. Zij wachtte mij al op, was keurig en in stijl gekleed en maakte een warme en lieve indruk. Nadat wij op haar balkon, tussen de vele planten plaats hadden genomen, ze heeft een keurige tuin, werd het ijs gebroken. Dit gebeurde door te praten over de familie Donk die zij van Nickerie kende, de relatie met de familie de Miranda, de link met de familie Abrahams en Duim en de relatie met het Jodendom. Maar uiteindelijk kwamen wij bij het moment, dat zij zou vertellen over het graf en de plantage Hazard waar zij voor een groot deel is opgebracht. Met haar voor een vrouw van boven de negentig nog heldere stem, begon zij: “ Mijn moeder is op de plantage Katwijk te Commewijne geboren. Mijn grootmoeder was een slavin en mijn grootvader de plantage-eigenaar, een jood. Mijn oma heette omdat zij een slavin was, Carolina. Tijdens de afschaffing van de slavernij, was zij al op Katwijk. Zij was toen 19 jaar oud. Toen werd haar naam veranderd in Judith Hardt, let wel met dt”, benadrukt tante. En ik dacht altijd dat die oude jood, een jonge zwarte vrouw als echtgenote had genomen. “Maar neen hoor, hij was net zes jaren ouder , dus 25 jaar. Het moest dus “ true love” zijn geweest, anders kan ik het niet verklaren”. Bij dit laatste moest tante even lachen en wij met haar ,omdat het zo spontaan en in het engels eruit kwam. Het gaf het geheel een leuk tintje. Soms zou je denken dat oude mensen oud en bekrompen zijn. Maar nee, onze tante logenstraft die gedachte. Op haar leeftijd denkt zij nog jong, fris , vrij en helder. Nadat wij bij gekomen zijn van de korte spontane onderbreking, het lachen, vervolgde zij:” Mijn grootvader heette Henrie Juda. Mijn moeder, Louise , groeide net als de andere kinderen van mijn grootouders niet op in Katwijk, maar werden opgevangen door de dames Lobato aan de Wagenwegstraat te Paramaribo. Er was een minister Lobato geweest ,waar ook de jongens Spence zijn opgegroeid”. Zij maakt hier de eerste link met Nickerie. De familie Spence is vooral van Nickerie bekend .” Mijn grootvader Juda is gestorven toen mijn moeder 11 jaar oud was. Op latere leeftijd heeft mijn moeder mijn vader, George Nicolaas Gummels, leren kennen toen hij opzichter was op de plantage Hazard in Nickerie. Toen hij mijn moeder trouwde is hij vandaar gegaan om te werken op de plantage Zoelen in Commewijne. Maar na mijn geboorte in de maand oktober, is hij terug gegaan naar de plantage Hazard, waar hij toen hoofdopzichter werd. Na mij kregen zij nog drie kinderen die allemaal op Hazard zijn geboren. De jongste, dat was heel typisch, moest geboren worden en daarvoor was de voedvrouw al vanaf Nw.Nickerie afgereisd. Dat gebeurde met de roeiboot en met het getij. Maar na ruim een week verblijf op de plantage kwam het kind niet. Dus de voedvrouw, ik dacht dat zij Boyte of Boyle moest heten, moest naar een feest of zo en vertrok. Zij had waarschijnlijk maar net Nw.Nickerie bereikt, toen het kind zich aanmeldde. Toen heeft de oppasser, mister George August Harte, de bevalling geleid en kreeg mijn broer als tweede naam de naam August. Mijn moeder is vijf maanden later gestorven aan Spaanse griep. Ik woonde toen al in de stad omdat ik naar school moest. Dat kon in Nw.Nickerie niet. Er was geen wegverbinding. Met de roeiboot duurde de tocht uren en je was zo als eerder gezegd, afhankelijk van het getij. Ik bleef dus in de stad waar mijn moeder bij dezelfde mensen in de stad is geweest, de familie Lobato. Maar elke vakantie gingen wij naar de plantage, daar was ons huis. Zes maanden na de dood van mijn moeder is mijn vader directeur geworden van de plantage Hazard door meneer Linch te vervangen. Dat was dus in 1919. Omstreeks 1930 werd hij overgeplaatst naar de plantage Waterloo die vlakbij Hazard ligt. De fabriek te Hazard werd gesloten en alle riet werd toen centraal op Waterloo gemalen. De plantages Hazard, Waterloo en Nursery kwamen in handen van dezelfde eigenaar. De suikerprijs ging die tijd erg omlaag”.

Plantage Hazard

Hier kwamen de pontons met de gekapte riet

De plantage, ik heb dat van Phillip Dikland begrepen, werd omstreeks 1821 in gebruik genomen. Hazard was in die tijd nog een koffieplantage en is later overgegaan tot het verbouwen van suikerriet. Over de eerste eigenaar van de plantage is niet veel bekend. In 1814, tijdens het Engelse tussenbestuur, was hij reeds in Suriname en legde een kostgrond aan de Nickerierivier aan. Niet Hazard, die heeft Herbert pas later verworven. Toen de latere eigenaar James Balfour in 1841 kwam te overlijden, kreeg zijn erfgenaam Robert Kirke de plantage voor lange tijd in bezit. Hij is het die de plantage omzette van koffieplantage naar suikerplantage. In 1859 was Hazard een moderne suikerplantage, voorzien van vacuümpannen en centrifugale toestellen. In 1880 schakelde Hazard evenals de plantage Waterloo over op contractarbeid. Tien jaren later werd de plantage Nursery aangekocht en de drie aaneengesloten plantages vormden feitelijk een groot bedrijf.In totaal werden 2187 Brits-Indische contractanten geworven ( 1880-1916) en 3033 Javanen (1901-1929).

Ten gevolge van de wereldcrisis van de dertiger jaren van de 20e eeuw kwamen de Surinaamse suikerondernemingen in ernstige problemen. In 1932 moest Hazard de deuren sluiten. Wat nog van de glorie van Hazard getuigt, is een park van oude bomen, waar vlakbij het plantagehuis heeft gestaan. De restanten van de stoommachine en van een suikerpers van 1906.

Tante S kan nog levendig vertellen hoe het leven op de plantage eruit zag. Het stemt prettig, nog uit de mond van deze nog in levenzijde bewoonster, de dingen van alle dag van de plantage te vernemen. In geniet daarom met volle teugen van haar verhaal als zij vertelt:” Mijn vader was zoals u weet directeur op de plantage geworden. Hij stond elke dag vroeg op, om op half zes in de morgen met alle opzichters en voorlieden bij elkaar te komen. Op de plantages had je vaak naast de directeurswoning een bijgebouw met een eigen trap en kantoor. Hij kwam daar met de mensen bijeen om over het werk van de dag te praten. Nadat het werk besproken was mochten deze opzichters en voorlieden even naar huis tegen half zeven, waarschijnlijk voor hun ontbijt. Om zeven uur ’s morgens, moesten zij dan op het werk verschijnen. Op de ruggen van muilezels gingen zij dan naar het veld. Mijn vader kwam tegen elf uur in de morgen thuis en begaf zich naar zijn kantoor voor het doen van schrijfwerk. Dat moest, omdat de eigenaren van de plantage in Schotland van dag tot dag geïnformeerd moesten worden over de gang van zaken op de plantage. Daarna ging hij weer in het veld om tegen vijf uur terug te keren. Op de zaterdag tegen een uur in de middag vond de uitbetaling van de contractarbeiders en andere werkers plaats. Tegen die tijd werd de bel van de plantage geluid, als teken dat het moment voor het uitbetalen was aangebroken. Op Hazard was het bij de fabriek.

Een keer per week kwam de dokter op de plantage om de zieken medisch te behandelen. Wie echt naar de dokter moest, die ging dan. Ik denk dat het telkens op de donderdag moest zijn geweest. Ook dan werd de bel geluid om aan te geven dat de dokter er was voor de zieken. De plantage had wel een eigen ziekenhuis waar een oppasser dienst deed. Het oude ziekenhuis heb ik niet gekend. Het nieuwe lag ten zuidoosten van de fabriek. De fundamenten van het ziekenhuis liggen er nog. Om de zes maanden werd er gemalen”. Ik onderbreek tante S even, omdat ik als kleine jongen op de plantage Marienburg had meegemaakt dat in de fabriek zo goed als dagelijks werd gemalen. Waarschijnlijk vanwege de grote arealen en beschikbare riet. Tante verzekerde mij dat het malen om de zes maanden op Hazard geschiedde vanwege de beschikbare hoeveelheid riet. “ Er werd wel continu gewerkt, de aanplanten aanleggen en verzorgen, maar er werd niet continu riet vermalen. Net als op de andere suikerplantages werd het veld, voor de rietkap aanving, in brand gestoken. Dit werd gedaan om het ongedierte, bijvoorbeeld de slangen uit het riet te verdrijven. Daarnaast verbrandde een groot deel van de stengels, waardoor de rietkap werd vergemakkelijkt. De velden in brand zien was een ware happening. Veel rookontwikkeling, veel as deeltjes van de stengels die ver de lucht ingingen en het knetterende geluid van het verbranden van de bladeren. Wanneer dat werd gedaan op de rietvelden de Waterloo, die lagen dichtbij Nw.Nickerie, moesten de bewoners van hun ramen sluiten om al het rondvliegend materiaal buiten het huis te houden. Op Hazard, Nursey en Waterloo had je speciale transportkanalen, waarlangs het riet, in kleine pontons voortgetrokken door muilezels, naar de fabriek werd getransporteerd. Op Marienburg had je een spoorsysteem met stoomtreintjes, maar dat was voor een kleine plantage te kostbaar. Op Hazard waren er genoeg muilezels. Een muilezel mocht een keer gaan en komen. Het beest ging dan naar de stal om te rusten, terwijl andere ezels naar het veld gingen, om de pontons met riet te halen. Een muilezel mocht maar vier pontons voorttrekken. Af en toe werd er een tractor ingezet voor dit werk. Maar dat werd niet vaak gedaan, omdat de damwanden van de kanalen werden beschadigd. Die trok dan acht pontons, niet meer, want dan slingerden de pontons van links naar rechts. Het malen van riet gebeurde ongeveer zes weken aaneen. Dan werd de fabriek met veel tam- tam gesloten. Zolang de fabriek werkte hadden wij elektrisch licht. Daarna moesten wij het doen met de cocolampoes. Waterloo had later wel een licht- motor. Die verschafte licht tot tien uur ’s avonds. Dan moest je weer overschakelen op de cocolampoe”. Tante S onderbreekt haar verhaal om mij te vragen wat ik nog meer wil weten. Natuurlijk wilde ik hangende aan haar lippen, alles weten. Ik vraag haar daarom het een en ander over de immigranten te vertellen, wat ze graag deed .” De hindostanen heb ik meegemaakt, maar niet hoe ze aankwamen op de plantage. Maar de javanen wel. Onder de hindostanen had je veel voorlieden. Sommige waren sluiswachters. Voor de fabriek, de panboilers,die waren allemaal Guyanesen van creoolse afkomst. Deze hadden veel ervaring m.b.t. de suikerproductie. Zij maakten ook de pontons. Ze kwamen o.a. uit Berbice. Ook nakomelingen van de slaven die uit de Engelse gebieden kwamen zouden er geweest moeten zijn. In het begin werd veel met de hand gedaan op Hazard. Het scheppen van suiker in zakken geschiedde ook met de hand. Het inladen en uitladen van de pontons gebeurde met de hand. Later kwamen er hijskranen op de plantages”. Tante geeft mij een beeld hoe de bewoning van de plantage eruit zou hebben gezien. Volgens haar komt wat de buitenkant betreft, de directeurswoning van de plantage Alliance overeen met die van Hazard.

Van de vele feesten die op de plantage werden gehouden, kan tante zich voor al de Tadjavieringen goed herinneren. “ Ze maakten een bouwsel van papier dat dan werd gedragen naar de rivier. Ze kwamen dan eerst bij ons thuis. Er werd flink gedanst. Mijn ouders moesten dan wat geld, een bijdrage geven. Het bouwsel werd daarna in de rivier te water gelaten”.

Van tante S verneem ik nog meer. Te veel voor een artikel. In een volgend artikel zal ik u meer over de plantages Hazard en Waterloo vertellen, zoals ik die van haar heb gekregen. Haar verhaal is boeiend. Van de staf van de Plantage Waterloo en Hazard gaf ze mij een foto met 19 heren daarop, van wie zij nog alle namen kent. Hoewel mevrouw Louise Wilhelmina Gummels-Juda vroeg is gestorven, mogen wij blij zijn dat tante S nog in ons midden is.

K.R.Donk, 25 april 2005