Tag Archives: Commissaris

Professor Mr.A.J.A. Quintus Bosz

 

Aankomst Perica in Nickerie

Op vrijdag 21 april jl. had ik de eer een gesprek te hebben met mevrouw D.Quintus Bosz-Sharma, de weduwe van Aksel Johann Albrecht Quintus Bosz. Was het eigenlijk begonnen om zijn verrichtingen als districts-commissaris van Nickerie te vernemen en vast te leggen, het bijzondere laat zich niet beperken als zij moeiteloos vertelt. Schoonheid, eerlijkheid, oprechtheid, kennis en liefde vonden elkaar op een niet te voorspellen wijze. Als zij beetje bij beetje het verhaal van Aksel en haar laat herleven, ervaar ik deelgenoot te zijn, van een boeiend levensverhaal.

Hij was smoorverliefd

Aksel en Djanakdee Quintus Bosz

Djanakdee Sharma, geboren op 17 oktober 1931 te district Saramacca, had nooit kunnen vermoeden dat zij ooit de districts- commissaris van Nickerie, Quintus Bosz, zou huwen. Als dochter van een hindoe priester, een brahmaan, was ze religieus, doch eenvoudig opgevoed. Thuis had ze net als haar ouders uit de koperen thali en lotha leren eten en drinken, waren er vaste tijden en regels, voor de dagelijkse handelingen van het levensgebeuren. Als enig kind van Narbada Persad Sharma, geboren op 19 december 1895 en zijn vrouw Ramrati Dasrath, beide uit Brits-Indië, werden haar vele hoge waarden en normen van het leven bijgebracht. Ruim voldoende om in haar latere leven de weelde te kunnen dragen, te kunnen participeren in de sociale en maatschappelijke toplaag van de maatschappij, waar ze zou komen te verkeren.

Djanakdee Quintus Bosz-Sharma

Op het balkon van haar mooie woning, vertelt zij haar verhaal: ” Het is in het jaar 1952, als ik Nickerie aankom voor doorreis naar Guyana, waar ik met een muziekgezelschap voor een chautaaloptreden moest zijn. Aanvankelijk was de muziekgroep met de “Binnendoor” vanaf het Saramaccakanaal, zonder mij, richting Nickerie vertrokken. Het lukte mij die dag nog een paspoort te krijgen. Vroeg genoeg om tegen 6 uur namiddag op de “Perica” te stappen, om de reis naar Nickerie via de zee te maken. Toen de groep in Nickerie aankwam konden zij hun ogen niet geloven, toen zij mij op de steiger zagen. Na onze optredens in Guyana, bleef ik in Nickerie achter. Ik wilde vroedvrouw worden en trok in bij vroedvrouw Milzinck van wie ik het werk zou leren. Ik bleef vervolgens voor twee jaren in de leer bij de zeer bekende vroedvrouw zuster Lowe. Ik trad daarna in dienst van het Witte Kruis en werkte 1 jaar voor de organisatie. Mijn manier van werken ontging de mensen van het ziekenhuis te Margarethenburg niet. Zuster Herdigein stelde de directeur van het ziekenhuis dokter Treurniet voor, mij naar Nederland te sturen voor een verpleegstersopleiding. Voor afhandeling van mijn paspoort moest ik naar de districts-commissaris. Inmiddels lag de leiding van het district in handen van Quintus Bosz. Ik wist niet, dat hij smoorverliefd op mij was. Toen ik tegenover hem zat, met alle respect niets vermoedende, vroeg hij mij wat ik in Nederland ging doen. Ik zei hem dat ik verpleegster wilde worden en daarvoor ging studeren. Daarna zou ik werken, sparen en een wereldreis maken. Hij zei tegen mij: “ maar als ik jou een wereldreis aanbied, zou je willen blijven”. Ik gaf als antwoord dat ik eerst verpleegster wilde worden, dus zou gaan. Toen zij hij dat hij mij als vrouw wilde, als ik instemde zou hij mij na ons huwelijk een wereldreis aanbieden. Tot op dat moment had ik zelf geen andere intentie dan te gaan studeren en nam hem niet direct serieus. Maar hij was echt verliefd op mij. Toen hij later van iemand op het commissariaat die mij kende vernam, dat ik een afscheid feest zou hebben, vroeg hij mij om een uitnodiging. Het was werkelijk een eer, de commissaris op mijn feest te hebben. Ik vertrok daarna naar Nederland en had acht maanden geen contact met hem. Bij toeval ontmoette ik hem voor een reisbureau in Amsterdam. Hij was op doorreis naar Italië. Ik was op weg naar het ziekenhuis voor mijn werk, toen ik hem uit een toeristenbus, die stond voor een reisbureau, zag stappen. Ik stopte, hij zag en herkende mij en liep hij naar mij toe… mijn fiets viel uit mijn hand. We waren blij elkaar te zien. Werkelijk, wat voor jou bestemd is, kan niemand je ontnemen. Hij vertrok naar Italië, keerde terug naar Suriname, maar wij bleven in contact met elkaar. In augustus 1959 studeerde ik af en keerde in december terug naar Suriname. Op 18 februari 1960 trouwden wij met elkaar in Paramaribo, waar hij inmiddels, als commissaris was aangesteld. Mijn vader was reeds overleden en aanvankelijk mocht ik van mijn vaders broer niet met Aksel trouwen ,omdat hij geen hindostaan was. Mijn vader was priester en ik zou hem geen eer aandoen, vond hij. Maar mijn moeder verleende haar medewerking, zij tekende de huwelijksakte, ik was toen 29 jaar. Mijn man was een lieve zorgzame man. Je kon in alles op hem vertouwen. Hij was punctueel en oprecht. Voor de zaak van de rechtvaardigheid, kon hij zijn leven geven”.

Een zegen van God

De commissaris van de bloemen, zoals hij in Nickerie bekend stond, was eerder getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw met wie hij drie zonen en een dochter had, was overleden. Ook Djanakdee was eerder getrouwd geweest. Zij trouwde toen zij 16 jaar was, kreeg een kind, maar verloor haar man al na een jaar. Na 14 jaren begon zij een nieuw huwelijks- leven. Met elkaar zouden zij vele vreugde volle jaren beleven.

Als ik haar vraag over de loopbaan van haar man te vertellen, vertelt zij bescheiden doch enthousiast het volgend: “ Mijn man is geboren op 25 april 1915 te Pasoeroean op Java in Indonesië . Hij had een Deense moeder en Nederlandse vader. Op 22 jarige leeftijd voltooide hij de opleiding aan de Hogere Landbouwschool voor de Tropen in Deventer. In 1947 en 1954 behaalde hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht zijn meestertitels voor Indisch, respectievelijk Nederlands recht met het judicium, cum laude.

Hij was inmiddels 1ste Luitenant geweest bij het K.N.I.L. en Kapitein bij het K.L. die hem in 1949 detacheerde naar Suriname. Hij kreeg eervol ontslag van het leger in 1958 en trad in overheidsdienst waar hij vele hoge functies bekleedde. Sinds 1955 was hij buitengewoon docent aan de Surinaamse Rechtschool. Daarna doceerde hij aan de Antom

de Kom Universiteit van Suriname, waar hij in de functie kwam van Rector Magnificus. Bekend is zijn standaardwerk: Drie eeuwen Grondpolitiek in Suriname. Dit werk dat nog steeds op de universiteit wordt gebruikt wordt binnenkort herdrukt. In de jaren zestig en zeventig was hij lid van de Staten van Suriname. Daarnaast heeft hij een 11 tal missies uitgevoerd voor de F.A.O., O.A.S., I.D.B. en de Wereldbank”.

Ik sta verstelt van de bijdrage dat Professor Mr. A.J.A. Quintus Bosz, ook bekend als QB, aan Suriname heeft geleverd. Niet hier geboren, Surinamer geworden, voor dit mooie land gekozen, zijn krachten en leven heeft gegeven. In Nickerie betrokken bij de aanleg van de Henarpolder, een van de mooiste polders van het district. De aanleg van plantsoenen, het keurig houden van irrigatiewegen, kanalen, wegen en straten is de Nickerianen bij gebleven. Als ik mevrouw Quintus Bosz vraag hoe zij zich voelde de vrouw van zo’n belangrijke man te zijn zegt zij:” Het is een zegen van God. Voor mij is iedereen gelijk. In Japan mocht ik hetzelfde bed slapen waarin prinses Beatrix had geslapen”. Bij het huwelijk van Djanakdee en Aksel, hadden zij als getuige de bekende schrijver Lou Lichtveld, Albert Helman. Zij zelf is een zeer bijzondere vrouw. Op sociaal en maatschappelijk gebeid nog steeds actief in Suriname. Ook op cultureel gebied. Zo heeft zij opgetreden als hoofdrolspeelster in het toneelstuk “ Is zij schuldig”. Opgevoerd in 1962 voor de prinsessen Irene en Margriet. Ontdekt door schrijver en Hindi leraar Baboe Mahatamsingh, trad ze op in de toneelstukken Soenderas en Wahre Paisa en de film Land van Rama. Over haar zal bij Vaco binnenkort een boek worden uitgeven.

In 1962 was zij betrokken geweest bij het comité: Anti onafhankelijkheid nu. Zij vertelt:” Met o.a. de vrouwen Mitrasingh, Kanhai, Poetcher en Kalender had ik een groep gevormd die een betoging zou organiseren tegen de onafhankelijkheid. Pengel zou die met ondersteuning van Lachmon, bewerkstelligen. Pengel was daarvoor voor besprekingen in Nederland. Het comité had inmiddels een vergunning gekregen van de districts-commissaris van Paramaribo Quintus Bosz. De minister-president Emanuels had de commissaris daarvoor ontboden en gezegd de vergunning niet te verlenen, daar de betoging tegen de wensen van de regering zou zijn. Hij verbood de commissaris echter niet, die handelde naar eigen inzichten en gaf de vergunning. Een dag daarna, nog voor de betoging, werd Quintus Bosz ontheven uit zijn functie”. Uit het totale verhaal van Djanakdee blijkt dat Lachmon er alles aan gedaan had de dames tot andere gedachten te brengen, de betoging niet te houden. Zelfs voor intimidatie, schroomde hij niet. De dames boden hem aan tegen de onafhankelijkheid te betogen, maar hij wilde dat niet, want het paste hem toen, Pengel te steunen. Duizenden mensen betoogden toen tegen “de onafhankelijkheid nu”. De betoging was een groot succes. Quintus Bosz werd in ere hersteld en benoemd tot hoofdcommissaris.

“Toen mijn man”, vertelt Djanakdee verder, “statenlid was tijdens de PNP regering en niet mee wilde werken in de partij, dat partijleden zich grote stukken grond zouden toe-eigenen, moest hij een eigen fractie vormen. Hij werd een jaar lang ontheven als docent aan de universiteit. Hij bracht de staat voor het gerecht en won de zaak. Een jaar salaris moest hem worden uitbetaald. Wij maakten daarna onze wereldreis. Vele landen werden bezocht, India tot drie maal toe”. Aksel had zijn woord gehouden, in zijn werk had hij het goede voorbeeld gegeven. Hij was een bijzondere man, bijgestaan door een unieke vrouw. Is het niet jammer dat niets in Nickerie, naar deze bijzondere commissaris van de bloemen is genoemd? …Het is daarvoor nog niet te laat.

K.R.Donk, 28 april 2006.