Tag Archives: Eddy Bruma

De slag op de plantage Waterloo Dl.1

Javaansearbeiders op Waterloo

Javaansearbeiders op Waterloo

Met het gebeuren op het goudbedrijf AIMGold nog vers in ons geheugen, wil ik samen met u teruggaan in de Nickeriaanse geschiedenis. Dat deel van de Nickeriaanse geschiedenis, van de vakbondsstrijd om het bestaansrecht van de werkende mens, de strijd tegen ongekende uitbuiting en miskenning. De Vakbond stelde toen, dat een buitenlandse ondernemer door opportunistische politici en bestuursambtenaren, de handen boven het hoofd werd gehouden. Dit ten koste van de weerloze uitgemergelde rietkappers en fabrieksarbeiders en hun gezinnen. Men komt in verzet tegen het feodale systeem. Politici associeerden de oprechte strijd van de arbeiders en hun leiders, met het “communisme”. De pers in het land stond versteld. Tot op heden de ouderen onder de doorsnee Nickerianen geloven, vanwege de politieke en etnisch getinte antipropaganda, dat de grote vakbondsleider Eddy Bruma, met zijn vakbond, Waterloo heeft vernietigd. Grote delen van het volk, begrepen er niets van. Als u meegaat in de geschiedenis, zult dingen die nu gebeuren herkennen. De geschiedenis herhaalt zich, zegt men. Ik praat voor u over Waterloo, met Sariman Sarjadie.

Mr. E.Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo, rechts achter hem, Ponimen met wit hemd, achtergrond de winkel van Afoek, later Idris Doekhie

Mr. E.Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo, rechts achter hem, Ponimen met wit hemd, achtergrond de winkel van Afoek, later Idris Doekhie

 

Het gouden kistje

Elk jaar weer worden rond 25 november Surinamers gehuldigd, gedecoreerd, vanwege hun verdiensten aan de maatschappij. En heel goede zaak. Zakenlui, medici, politici, maatschappelijk werkers enz., worden zo bedankt voor hun bijdrage. Maar hoe vaak is daarbij een eenvoudige, doch rasechte vakbondsleider gedecoreerd, voor zijn onbaatzuchtige werk. Hij die in de voorhoede tegen maatschappelijk onrecht en voor een menswaardig bestaan heeft gestreden? Wie kent Rannie Brown van de Nickerie Werknemers Unie nog? Wie kent zijn medestrijders de gebroeders Santoe nog?Wie in Suriname en Nickerie kennen de bestuursleden van de Bond bij Waterloo nog? De voorzitter Ali Zafdar, de onder-voorzitter Soegriemsing Sewcharansing, de penningmeester Kisoen Rahimbaks, zijn vervanger Karyantika Nadimin, de commissarissen Nanka, Riboed en Egbert Stanford en de secretaris Sarjadie Sariman, meer bekend als Ponimen. Zij en vele anderen, die tot parias werden verklaard, streden onbevreesd verder. Ik sta er versteld van, wanneer Ponimen spreekt over Waterloo en wij samen door de documentatie gaan. Documentatie die hij voor meer dan dertig jaren in een houten kistje heeft bewaard. Begrijpelijk, omdat onrecht en hebzucht van anderen hem pijn hebben gedaan. Voor dit “ gouden kistje” ben ik hem dankbaar. Waterloo is enkele jaren terug op romantische wijze door mij beschreven, maar dit keer in “De slag op de suikerplantage Waterloo”, wordt u geachte lezer, de keerzijde van de medaille gepresenteerd.

Ponimen met "gouden kistje".

Ponimen met “gouden kistje”.

Angst, misbruik, hebzucht en corruptie

Sarjadie Sariman geboren te Longmay op 2 februari 1946, vertelt het hartverscheurende verhaal, als ik naast hem onder de manjaboom op zijn erf te Karananjar zit:

“ Ik ben op de plantage vanaf mijn 15-de jaar begonnen te werken. Ik ben van alles geweest, panboiler, operator op zware machines, allrounder in de fabriek. Het werk op de plantage was zwaar, gevaarlijk, mensonterend. De rietkappers waren volkomen toegewezen op taakwerk. Zij voor elke ton riet, gekapt, sorteren, transporteren en in pontons te laden, sf 2,75 per ton werden betaald. Wij gingen in staking om net als de arbeiders van Mariënburg, toen ook moderne slaven, sf. 3,75 per ton te mogen ontvangen. Wij protesteerden tegen lonen van sf. 4,50 tot sf.20,= per week en werkweken van 77 tot 168 uren. Ik werkte een tijd lang bij de stoomketels, zo een 144 uur per week. Al jaren werden de vier stoomketels van de fabriek gecontroleerd door twee arbeiders, die beide van maandag morgen 6 uur tot en met de volgende week zondagmorgen in de fabriek bleven. Niemand wilde werken nabij de stoomketels. Één was al gesprongen. Alle vier waren zo oud en versleten, dat men daar constant in levensgevaar verkeerde. Ik kon in de fabriek 1 tot 2 uren achtereen een dutje doen. Dit op een smalle houtenplank. De ketels moesten steeds gecontroleerd worden. Eten en alles wat wij nodig hadden, moest in de fabriek bezorgd worden. Zondag mocht je naar huis om de kinderen te zien en te slapen”.

Shankar leefde zelf in grote weelde in de Big House, de oude plantage woning met honderd ramen, waarvan een raam naar men zegt, uit respect voor de gouverneur van Suriname, nooit open ging. Ik vertel aan Ponimin dat mijn schoonvader Bahadoer Bipat, mij eens vertelde dat de vrouw van Sankar aan hem eens gezegd zou hebben:” What in the world I can’t buy”. De kloof tussen rijk en arm op de plantage was echter als de diepste kloof van de Grand Canyon. Dat merkten ook de journalisten die naar Nickerie afreisden om de chaos te Waterloo te verslaan. Rudy de Bruin, Guno Meye, Sally.Blik, Leo Morpurgo, N.Haakstam, Omar Bradley, Benny Ooft, G.B.Rechterschot, Sieuw Radhakishun, L.Hercul, Henk Herrenberg, de totale media van Suriname toen. Journalisten van kranten, radio en tv( toen alleen STVS. Zal STVS de beelden nog hebben?). Er was ook een journalist, Isha Meyer uit Nederland aanwezig. En wat zagen zij op de plantage? “Naast het huis van Shankar en nog enkele nieuwe huisjes van hout en steen, vele krotten waarin nog geen varken zou huizen, donker, muf, ongerieflijk, badkamer in open lucht, toiletten die op invallen staan, open lozingen. De woonplaats van de losse rietkappers, het vroegere hospitaal van de plantage, verdeeld in vier cellen voor vier personen, donker zonder lampen. Bij aankomst krijgt elke rietkapper vier zakken, voor zijn houten brits, twee voor zijn matras, er is gras in overvloed, en twee om er in te slapen en bescherming tegen muskieten”, wordt beweerd. Steeds verwonderen de journalisten zich en stelden de vraag: “ Waarom blijven deze mensen hier wonen en werken”?

Waterlooarbeiders voor de winkel van Mohammed Ashiem

Waterlooarbeiders voor de winkel van Mohammed Ashiem

Ik stel deze vraag aan Ponimen en hij geeft als antwoord:” Daarop is moeilijk een antwoord te geven”. Het kistje helpt hem. “Er heerste een ongezonde geest op de plantage. De directie van Waterloo heeft misbruik gemaakt van een vreselijk wapen: Angst. Angst voor het verbale geweld van mevrouw Sankar, van wie een ieder bang was. Angst voor de bedrijfsleider mister Chan, haar broer en zwager van Sankar. Angst voor ontslag en uitzending naar de onbekende buitenwereld. De plantage was een staat in een staat. Angst voor de terugzending naar Guyana, waar er geen werk was( gold voor de Guyanese arbeiders). Misbruik maken van de diepe gehechtheid van de javaan aan zijn familie, van zijn zachte inborst en zijn liefde voor zijn vertrouwde omgeving, hoe slecht dan ook. Gebruik is gemaakt van de begerigheid van hoge functionarissen, partijbonzen, die geregeld te gast waren in de Big House en net als de controleurs, hun ogen sloten voor wantoestanden bij de behuizing, watervoorziening, lonen, werktijden en geen oor hadden voor klachten”.

De suikerfabriek rond 1970

De suikerfabriek rond 1970

Van mevrouw Sankar werd de uitspraak opgetekend, dat geen enkele vakbond of arbeider iets aan de bestaande situatie zal kunnen veranderen, zo lang de Vathan Hitkari Partij ( V.H.P.) onder de huidige leiding, het land regeert. Sankar zou gezegd hebben, dat zolang Lachmon er is, hij niet bang is. In maart 1972 ontkent Sankar deze beschuldigingen. Een advertentie van hem, verschijnt in verschillende dagbladen. In het dagblad Onze Tijd van 8 maart 1972 staat: “ Notice: We are very disappointed and annoyed that the Union can be so low as to make the very false statement that Mrs. Sankar said, that we are under the protection of V.H.P. That is complete false. A.Sankar”.

Waterloo was een soort concentratiekamp geworden. De toegangspoort wordt de gehele dag gesloten gehouden en onder bewaking gesteld. Bewoners van de plantage mogen hun voertuig niet binnen rijden. Het gevolg is, dat zij die inkopen hebben gedaan, hun goederen bij beetjes te voet( ongeveer 1 ½ km.) moeten transporteren naar hun woning in de omgeving van de fabriek.De situatie voor de arbeiders wordt erger. De fabriek is ruim 2 1/2 jaar gesloten. De situatie voor de vakbeweging is nog erger, omdat zij vakbondsrechten moet waarborgen. “Vooral omdat onder het toeziende oog van de overheid in Nickerie, de buitenlander Sankar van terreur gebruikt maakt om de arbeiders te bestrijden. Zelfs de politie en de geheime dienst worden ingezet”, zegt de vakbond.Erger wordt het, wanneer uitspraken van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname, door de directie worden genegeerd. Het bedrijf voor zogenaamde revisie wordt gesloten en uitsluiting wordt toegepast.

Arbeiderswoning. De afbraak was reeds aan de gang.

Arbeiderswoning. De afbraak was reeds aan de gang.

Het is 25 maart 1972, als C47 de gehele Surinaamse natie oproept, om deel te nemen aan de strijd ter lotsverbetering van de arbeidende mens in Suriname en op Waterloo in het bijzonder.

Het is al meer dan dertig jaren terug, maar anno 2007 klinken zaken bekend. Ik sta verstelt van de wantoestanden, die er toen heersten. Hoe de tactiek van uithongering en intimidatie zou worden toepast en de fabriek gesloten bleef. Tot de laatste baksteen onder het toeziende oog van de overheid de fabriek en het dorp leeggeroofd zou worden. Het verloop van de strijd op Waterloo, zal ik u, geachte lezer, in drie delen presenteren.

Kenneth Roy Donk, 17 maart 2006.

De slag op de plantage Waterloo Dl.2

In deel 1 van het artikel “ De slag op de plantage Waterloo”, heeft u kennis gemaakt met Ponimen en zijn “ gouden kistje”. Amir sankar was de eigenaar van de plantage, dus verantwoordelijk voor de leef- en werkomstandigheden. Maar was hij een slecht mens? Was hij eveneens het slachtoffer, door niet mee te kunnen gaan met de veranderingen van die tijd? Zoals elke plantage, kende ook Waterloo vreemde verschijnselen. Maar de belangrijkste vraag blijft: Hoe verliep de strijd op Waterloo?

De moskee te Waterloo anno 1968

De moskee te Waterloo anno 1968

Met Paigam brak de hel los

Jusufali Santoe, zijn vrouw Mariam en Ali Sewrutton

Jusufali Santoe, zijn vrouw Mariam en Ali Sewrutton

Om een beeld te krijgen van de toenmalige eigenaar van de plantage Waterloo, Amir Sankar, die zelf op Waterloo woonde, bezoek ik Jusuf Ali Santoe. Hij woont te Binnenweg Paradise. Hij is geboren op 5 april 1930 en is getrouwd met Mariam Santoe-Amir. Hij heeft jaren op de plantage gewerkt, is daar geboren en kan zich alles nog heel goed herinneren.

“ Het leven op de plantage had een gemoedelijke sfeer. In feite waren de mensen met heel weinig tevreden. Er werd niet veel verdiend, maar met heel weinig geld kon men aan de basisartikelen komen. De meeste mensen werkten voor ongeveer 20 centen per uur en verdienden tussen de twaalf en twintig gulden per week. Daarmee kocht men spijsolie, aardappelen, zout, blom e.d. Vis kon je op de plantage en in de omgeving vinden, terwijl een moestuintje voor groente zorgde. Op bepaalde feestdagen of op de zondag, werden er voetbalwedstrijden en cricketwedstrijden georganiseerd op de plantage. Die trokken veel publiek. De mensen uit

Feest op Waterloo nabij het voetbalveld.

Feest op Waterloo nabij het voetbalveld.

Nieuw Nickerie en de omliggende polders kwamen dan meegenieten. Op de javaanse feesten, werd gamalangmuziek gespeeld. Voor een geringe bijdrage kon je dan dansen met de danseres. Dat deden de heren graag, vooral als hun vrouw er niet bij was.Tegen eind van het jaar, organiseerde Amir sankar de zogenaamde beggarday, de dag van de armen( bedelaren). Twee stieren, schapen en geiten werden geslacht. Aan huis bij de Big House werd dan gekookt. De arbeiders die op de plantage woonden konden dan naar hartelust eten. Er was dan genoeg rijst, dhaal, pompoen, boulanger en vlees. De mannen kregen elk een kan rum en de vrouwen namen wat suiker mee naar huis.Dat waren de goede momenten. Sommigen zeggen daarom, dat Sankar niet slecht was. Maar zijn vrouw, had een scherpe tong. Ze werd daarom gevreesd, evenals haar broer mister Chan. Je moest bij haar niet in ongenade vallen. Er wordt gezegd, dat vooral om hen, Sankar de kleine verhoging niet gaf. De plantage ging verloren.

Waterloo, begin jaren 1900

Waterloo, begin jaren 1900

Sankar was in de jaren rond 1930 een kleine handelaar die goederen, o.a. blom, uien, juttenzakken, uit Guyana in Nickerie verkocht. Hij had een winkeltje vlak naast het Julianatheater aan de Gouverneurstraat. Een zekere Samlal, die woonde op de voormalige plantage Paradise te Nickerie, een van de rijkste hindostanen van Nickerie toen, heeft hem geholpen de plantage in 1934 te kopen. Maar na dertig jaren de plantage in zijn bezit te hebben gehad, wilden de arbeiders, vooral de jongeren, een loon die bij de tijd paste. Vooral na de hindostaanse film Paigam te hebben gezien, brak de hel los. Onder leiding van Rannie Brown, de voorzitter van de Nickerie Werknemers Unie, werd er strijd geleverd tegen uitbuiting. Wij vroegen om lotsverbetering en erkenning van vakbondsrechten”.

Rannie Brown, Nickeriaanse vakbondsleider van de Nickeriaanse Werknemers Unie

Rannie Brown, Nickeriaanse vakbondsleider van de Nickeriaanse Werknemers Unie

Ali Sewrutton die mij bracht naar Jusuf Ali Santoe wijst erop, dat Sankar zich had gedragen zoals dat gangbaar was in de koloniale tijd. Hij kocht niet alleen de fabriek en de velden, maar ook de mensen en hun kinderen. Wat de koloniale overheid had moeten doen, had hij op zich genomen. Hoe gebrekkig ook, hij zorgde voor de medische verzorging, behuizing, licht en water. Wat heeft de koloniale overheid gedaan met de plantage toen Sankar vertrok? Wat heeft de koloniale overheid met Mariënburg gedaan toen zij de plantage in handen kreeg? “Niets”, zegt Ali. Vooral op Waterloo werden de mensen aan hun lot overgelaten. De plantage werd tot de laatste steen onder het toeziende oog van de overheid en haar vertegenwoordiging in het district leeg geroofd. Er voltrok zich een historische misdaad. Niemand heeft toen ingegrepen.

Geen cent meer

Ik ga met Sewrutton een huis verder naar de broer van Jusuf, Roshan Santoe, geboren op 9 augustus 1942. Hij bevestigt het verhaal van Jusuf, maar geeft wat aanvullingen. “ Het was slavenwerk op de plantage. De lonen waren erg laag, lange werktijden werden gemaakt, overuren werden niet uitbetaald. Onze ouders waren tevreden met een bordje rijst, maar de jongeren wilden rechtvaardigheid, meer menselijkheid. Hoe zou een feodaal systeem zich nog in de jaren zeventig en tot heden kunnen handhaven? Mijn vader Karamat Santoe was smid op de plantage. Met blaasbalk en steenkool en ijzer kon hij wonderen verrichten. Had hij geleerd van de blanken uit Engeland, de toenmalige plantage eigenaren. Sankar hield van mijn vader. Hij kon zich niet voorstellen dat wij, de kinderen van Karamat, opkwamen voor een beter leven. Wij waren niet ondankbaar, maar wilden geen slaven zijn.De film Paigam maakte echt onze ogen open. Aslam Santoe, Matto Santoe, Hoesmad Santoe en Sjako Santoe begonnen met anderen strijd te leveren. In 1961 kregen Aslam, Matto en Hoesmad ontslag. Hoewel zij op de plantage zijn opgegroeid, moesten zij de plantage verlaten. Ook ik moest hetzelfde lot ondergaan. De strijd was hard. Mister Chan zei:” Al breekt de plantage, jullie krijgen geen cent meer”.

Roshan Santoe, ex-Waterlooarbeider

Roshan Santoe, ex-Waterlooarbeider

Mevrouw Sankar was geen makkie. ’ s Morgens vroeg kregen de leidinggevenden van de plantage ten huize van Sankar de werkopdrachten. Zij gaf ook de opdrachten en instructies. Ik heb zelf meegemaakt, dat zij gewoon een van de mannen een klap in het gezicht gaf, omdat zij ontevreden was. Zulke zaken hebben zich vele malen herhaald.Voor ons de jongeren, was de maat vol”.Met een bloedend hart hebben vele strijders de plantage gedwongen moeten verlaten. Ik denk dat de familie Sankar ook met veel pijn de plantage heeft moeten prijsgeven. Sankar was door de plantage miljonair geworden. Hij was al op leeftijd, hij kon niet meegaan met de tijd. Dat was doorslaggevend. De totale vernietiging van de suikerplantage werd ingeluid.

No balls at all

De plantage heeft vele vreemde verschijnselen verkend. Roshan Santoe vertelt:” Volgens mijn vader was het laat in de avond. Hij had met een andere arbeider tot 1 uur in de nacht in de fabriek gewerkt. Zij gingen naar huis en waren op de derde brug voordat je de weg kreeg die liep naar de begraafplaats. Zijn vriend hield hem op de brug vast en zei:” Kijk daar”. Het was een Jorkabérie, dat net langs trok. Een stoet mensen in het wit gekleed, trok achter een lijkenwagen voorbij.Dan is het verhaal bekend van de man, die zonder hoofd ronddoolt op de plantage. De geest van de man, die vermoord was nabij de eerste brug. Zijn belagers hadden hem onthoofd.Ponimen verltelde mij over een zekere Dadja, die de kracht bezat om elke vrouw van de plantage te kunnen bezitten, indien hij dat wilde. Ook dat er vooral vampieren, asemma’s, waren.In de barakken, die stonden in het gebied dat de Kasba werd genoemd, woonden arbeiders uit Haïti en Guyana. Zij hadden hun geheime krachten.

“ No bals attal”, zo stond hij bekend, van no balls at all. Had hij geen ballen? Hij speelde het spel met de duivel tegen 12 uur ’s avonds. Onder de bamboeboom in het veld achter de Big House, werd dan plaats genomen. Tegen middernacht vielen er “ bamboezaden” omlaag. Probeerde hij die te vangen, dan werden zijn handen door de klauwen van de duivel opengereten. Uit de schrammen vloeide bloed.Hij kon ook de doden uit hun graf doen opstaan. Ponimen vertelt:” Toen de grond begon te schudden, renden ik en mijn vrienden weg. Wij lieten hem alleen bij het graf. Hoe hij ons ook terug riep, wij keken niet meer om en renden weg zo hard wij konden”.Jusuf vertelt dat het graf van de eerste eigenaar van de plantage, James Balfour, elk jaar werd geopend, om te worden schoon gemaakt. Je zag dan het gebalsemde lijk in een soort koperen hangmat liggen. Sankar maakte een eind aan deze ceremonie. Philip Dikland en ik bezochten enkele jaren terug het graf.

Inmiddels werd het sinds 1953 onrustiger op de plantage. Stakingen braken uit. In 1961 en de jaren die daarop volgenden steeds regelmatiger. Vakbondsactiviteiten werden verboden. Met Rannie Brown, werd de strijd verhevigd. Hij mocht de plantage niet betreden, dus werd hij op een draagstoel, kilometers lopend, op de schouders van de arbeiders de plantage binnen gebracht. Zo sprak hij de arbeiders nabij de fabriek toe. Zijn voet raakte nimmer de grond. Nickerie heeft dappere leiders en strijder gekend.

Mr. E.Bruma( uiters rechts) viert feest met de arbeiders

Mr. E.Bruma( uiters rechts) viert feest met de arbeiders

Hoe de strijd verliep, zien wij in het derde en slotdeel van “ De slag op Waterloo”.

 

 

Kenneth Roy Donk