Tag Archives: Hazard

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl.2

Restant suikerpers op Hazard

Niet lang terug verscheen in de Ware Tijd het artikel: Louise Wilhelmina Gummels dl. 1. Namens tante S dank ik een ieder voor de leuke reacties op het artikel. Alle lof en eer komt in elk geval de 92 jarige tante S toe, aan wie ik de informatie te danken heb. In het bijzonder de informatie over haar moeder Louise Wilhelmina Gummels-Juda, wiens graf ik op de plantage Hazard in Nickerie heb aangetroffen. Daarnaast de informatie over de plantagegeschiedenis van Nickerie die ik mocht vastleggen voor ons nageslacht. Maar wat tante S te vertellen had, was te veel voor een artikel. Daarom zoals beloofd, hier het slotdeel, waarin wij tante S nader mogen leren kennen en van haar verhaal mogen genieten.

Hoe het begon

Het was op 16 november 2003 dat ik met Phillip Dikland op onze speurtocht naar de plantagegeschiedenis van Suriname te plantage Hazard, stuitten op een ongeschonden graf met als opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884- 17 februari 1919, R.I.P.Aangezien niemand ons de informatie kon verschaffen wie daar begraven lag, was ik enorm blij om na bijna twee jaren, op goed geluk, in contact te komen met de lieve tante S. Zij vertelde mij het mooie verhaal van haar moeder, de dochter van de vrijgekomen slavin die eerst Carolina heette en na de afschaffing van de slavernij de naam Judith Hardt kreeg. Zij trouwde met Henrie Juda en kregen samen een dochter, die zij de namen Louise Wilhelmina gaven. Op de plantage Hazard leerde zij George Nicolaas Gummels, die op de plantage als opzichter werkzaam was, kennen. Zij trouwde met hem en samen kregen zij verschillende kinderen waaronder tante S. Tezamen met dit familieverhaal, wordt de plantage Hazard in beeld gebracht.Voor het volledig verhaal verwijs ik u, geachte lezer, terug naar deel 1 van het artikel Louise Wilhelmina Gummels-Juda, verschenen in de Ware Tijd van zaterdag 30 april 2005.

Esseline Louise Gummels

Hoewel ik van tante S haar identiteit volstrekt niet mocht prijs geven, wat ik ook niet heb gedaan, heeft zij na het verschijnen van deel 1 van dit artikel kunnen ervaren, dat het ijdele hoop was, onbekend te blijven. Want u, wist haar te vinden. Daarom mag ik nu tegen u die het niet weet zeggen, dat tante S niemand minder is dan Esseline Louise Gummels, geboren in Paramaribo op 16 oktober 1912. Zij is lief, wijs, scherp en heeft een stem van een jonge vrouw. Op 92 –jarige leeftijd doet zij nog alles zelf in huis. En als u haar thuis bezoekt, moet u niet vreemd opkijken dat zij samen met u een “tikje”, rumcola of zo, met u gebruikt. Is dat haar geheim, zo’n hoge leeftijd te halen? Neen,zegt ze. Ga veel met jongeren om. Voor haar geheugen heb ik zeer veel bewondering. En hoewel zij niet toegeeft lief te zijn, volhard ik in mijn stelling met dezelfde “ koppigheid” die ik van haar heb mogen leren. Zij gaat door dik en dun voor haar mening, nadat zij de echtheid daarvan heeft kunnen beargumenteren. Over een ding kunnen wij het niet eens worden. Zij zegt dat zij met haar hoge leeftijd niet mooi is, maar ik blijf erbij, zij kleedt zich in stijl en is lief en mooi. Ik probeer haar te overtuigen met de stelling, dat de vrouw de personificatie van de liefde is. “Zie de moeder”, zeg ik. Is het niet zij die wanneer de mens die ter aarde komt, zij haar warme zoete melk aan hem te drinken geeft, zodat hij het verdere levenslicht, het leven mag blijven aanschouwen. Daaruit kracht mag putten en tot volwassenheid mag komen, ook vanwege de liefdevolle verzorging die gegeven wordt. Dus ik vind haar mooi, toch mag ik van haar geen recente foto publiceren, vandaar dat ik gebruik maak van een oude foto uit haar jongere jaren.

Hazard, de fabriek rond 1890

Met tante Esseline gaan wij nu terug in de tijd als zij over de plantage Hazard vertelt:” De gebroeders van Tholl , Challie en Williams, kan ik mij zeer goed herinneren. Een werkte in de smederij van de fabriek en de andere in de timmerloods. In de middag als ik met mijn broertje op de trap van het oude echtpaar Giliard zat, want wij zaten daar vaker in de middag, kwamen de broers langs. Opa en Oma Giliard woonden bij een zijweggetje dat uitkwam bij de fabriek. En als de broers ons zagen dan was het altijd:” Dag essie, dag broerie”. Mijn broer werd broerie genoemd”. Tante Esseline moet er even om lachen als ze er nu naar terug denkt. Van opa Giliard kan zij zich herinneren dat hij een prachtige man was. Hij had zoals zij het zegt, vreselijke lange nagels. Hij had heel lang op de plantage gewerkt als veldopzichter om uiteindelijk te eindigen in de fabriek.

“ Ik weet”, zegt zij,” toen woonden wij op de naburige plantage Waterloo en hij kwam bij ons thuis voor een feestje met de opzichters. Toen vertelde de administrateur van de plantage, meneer Gorden, aan de aanwezigen dat Opa Giliard weer op de muilezel naar het veld ging. Gorden sprak van Peter Pan, die werd toch nooit oud. Maar Giliard was toen al heel oud, boven de zeventig moet het zijn geweest. Maar omdat het zeer slecht ging met de suiker, dus met de plantage, moest hij weer het veld in als opzichter. Kijk, je had geen enkele sociale verzekering in die tijd. Als je wilde overleven moest je werken. Je werkte tot je erbij neerviel, klaar. Geen enkel gebaar, niets. Mijn vader heeft hoewel hij een topfunctie had, geen enkel rooie cent pensioen gehad. Hij had op zijn oude dag geen geld. Sparen ging moeilijk, of je moest vreselijk gaan stelen en onbetrouwbaar zijn”. Ik probeer dit niet te begrijpen en wijs tante erop, dat haar vader toch directeur van de plantage was. “ Wat dacht je dat een directeur verdiende? Duizenden?” Gaat zij verder. “ Helemaal niet. Dan had je altijd een heel gezin die je in Paramaribo moest verzorgen. Want de plantage had geen school. Geen enkele planter of opzichter is in die tijd rijk geworden, of je moest hebben gestolen. Het zijn de plantage-eigenaren die van hun bezit rijk werden. Voor knoeien moest je niet bij mijn vader Gummels zijn, neen echt niet. Hij heeft tot zij zeventigste op de plantage gewerkt. De laatste jaren op de plantage Alliance te Commewijne totdat die aan het gouvernement is verkocht. Hij kreeg toen een onderstand van het gouvernement, eigenlijk niet de moeite waard. Hij heeft toen tot zijn dood voor de firma Fernandes gewerkt”. De vader van tante stamt af van de stamvader Gerard Heinrich Gummels met Jorjean Christie.

Mardie

Op zich vond tante Esseline het leven op de plantage gezellig. In Paramaribo ging zij op school en bleef bij de familie Lobato aan de Wagenwegstraat waar nu de zaak Sweet Hart is. Er stond toen een soort grote dubbele woning, tweehuizen onder een kap. Daar hebben de gebroeders Spence: Bob, Tom, Freddy en George, Just ter Meer en zijn broers en de jongens Stuger, wier vader ook opzichter op plantage Hazard was, gewoond. “Ik was een prinses tussen al die jongens”, zegt tante. Ze zegt daarna nog iets, maar daarop staat censuur. Niet slecht hoor, maar de vrouwen zouden boos op haar worden. Als de vakantie aanbrak, dan was het tijd om naar de plantage te gaan. Wegens ziekte mocht zij in haar kinderjaren zelfs een jaar lang op de plantage blijven. De familie Spence kent zij nog heel goed. De vader kwam uit Schotland, die heette Charles. Hij had een hindostaanse vrouw die mother werd genoemd. Zij noemt de kinderen in volgorde: Kitty( getrouwd met Goodings), Challie, Elisabeth( Bessy), David, Bob, Thomas(Tom), Freddy, George, Lussy en Annie. Ze hadden allemaal slechte ogen en droegen een bril. Freddy zei altijd volgens tante: “ Nog een nummer hoger, nog een nummer hoger, en ik ben blind”. Hij bedoelde dan de sterkte van de glazen. Ai, wij moesten toch wel even lachen om die Freddy. “ Het leven op de plantage was voor haar als kind, heerlijk. De immigranten kookten de dingen zoals we die nu kennen. De javanen maakten bijvoorbeeld hun bamie en nasie. Er was veel wild en vis op de plantage. Veel gevogelte, zoals bosdoksen en de verschillende eenden. Denk aan de skoertjies. Wij aten twee keer per dag warm op de plantage. Er was ook vee op de plantage die melk en vlees leverde. Een slagerij heb ik niet gezien, maar er kwam wel vlees op tafel. Er waren speciale kokkinnen die zorgden voor de maaltijden. Op Hazard was de keuken tegen het huis aangebouwd. Een enorme keuken met een groot fornuis, dat een schoorsteen had. Het fornuis werd met hout gestookt. De hel was nog koeler dan onze keuken denk ik. Vreselijk was het. Dan had je nog een bijkeuken met een rij koolpotten. Je had in de keuken ook een brandmirrie, een soort stenen aanrecht met ijzeren staven. Daarop werd ook gekookt. Het huis was groot. Er waren schoonmaaksters en wasvrouwen. Er moest veel geschrobd worden. Er was een tuinman en een muleboy, die moest voor de muilezelzorgen en water naar het veld dragen. Daarnaast maakte hij dagelijks de leggings, de kaplaarzen van mijn vader schoon. Verder begeleide hij mijn vader naar het veld samen met de battoboi. De laatste moest met een soort bootje( platte houtenkist), mijn vader over de vele transportkanalen die de plantage kende, zetten. Bij het kanaal bleven zij dan wachten tot de opzichter verder moest naar andere kavels. De muleboy heb ik vele jaren later in Paramaribo ontmoet. Hij werkte als wachter bij Varenkamp. Hij herkende mij niet, maar ik hem wel. Toen ik na sluitingstijd in de avond gehaald moest worden, stond hij al op wacht. Hij zei toen tegen mij, toen twee jongetjes passeerden,:” Toen ik zo klein was moest ik al op de plantage werken”. Ik vroeg hem welke plantage. Hij zei Waterloo in Nickerie. Toen zei ik hem,:”Ken je meneer Gummels dan?”. Toen zei hij: ”Ach ja, tuan besar ”, wat betekent zoiets als de grote heer, zoiets als saheb. Toen zei hij dat mijn vader kinderen had en noemde al de namen. Ook Esseline die hij een mooi meisje vond. Toen zei ik : “Wat zeg je , ze was een mooi meisje ,kijk goed naar me”. Toen begreep hij dat Esseline voor hem stond. Hij was zo blij. Hij sprak er met de collega’s nog dagen over de tijd op de plantage. Hij heette Mardie Het was een heel mooi moment”. En toen tante dit vertelde, deed het mij echt gevoelen, dat wij samen in een historische roman waren. Ik besefte dat ook de muleboy heeft moeten presteren. “Mijn vader bleef geen dag thuis”, gaat tante verder en ik hang aan haar lippen. “Hij hield van zijn werk en de productie betekende veel.

De mensen van de plantage hadden vrij suiker. Maar als je wist hoe de suiker in bulk werd opgeslagen, at je het niet. De arbeiders stapten zo in de suiker, om die in zakken te scheppen. Alles gebeurde toen handmatig”. Ik kan me als kleine jongen herinneren dat mijn moeder aan ons zei, de klontjes die in een hoeveelheid suiker voorkwamen niet te eten. Ons werd verteld dat als de javaanse arbeiders moesten spuwen, daarvoor niet naar buiten gingen en dat gewoon in de suikerhoop deden. Dat werden dan de klontjes. Of het een grapje was weet ik echt niet. Maar dat handmatig verwerken van die suiker, dat bevestigt tante wel. “De plantages kenden ook winkels”, zegt tante. Een chinesewinkel met een echte plantage chinees, die de gewone dingen verkocht als zoutvlees, bakkeljauw en snoep, zoals de watrakan en liktongo. En wat ik zeker weet, Huntly en Palmer beschuit. De van het, echte dure beschuit die kwam in lange blikken. Die krengen bleven natuurlijk te lang in de winkels. Vervaldata kende men niet. Een keer moesten wij kinderen naar een javaans feest. We kregen geld voor de danseres, want die kreeg van de gasten geld voor het dansen. Wij gingen helemaal voorin zitten. Thuis werd ons gezegd, wat je gegeven wordt moet je eten. Geen vieze gezichten trekken hoor. Nu, wij zaten en wij kregen die beschuit, helemaal boekoe. En daarnaast een soort witte softdrink uit Guyana, die volgens ons smaakte naar kakkerlak. Maar we hebben alles lekker gegeten en gedronken”. Van dit laatste moesten wij wel echt even lachen. Wat kinderen toch wel moeten doen. “Er was ook een bakkerij op Waterloo. Die was van de Duitser Bohm. Die heeft later zijn bakkerij naar Paramaribo overgebracht aan de Watermolenstraat”. Tante vraagt mij of ik die bakkerij gekend heb. Ik zeg van nee. Zij geeft als antwoord dat zij echt ziet dat ik niet van Paramaribo ben. Maar ze vergeet dat ik pas 52 jaar ben en zij 92. Ik was te jong om die bakkerij in Paramaribo gekend te hebben.

Wij lachen dan weer om die kakkerlakken en die boekoe beschuit… Tante zegt bescheiden dat de dingen die zij heeft kunnen vertellen, de herinneringen van haar jeugd zijn. Maar ik ben dankbaar die te mogen horen en het zal mij verblijden te vernemen dat ook u lezer, ervan heeft genoten. Nickerie zal dankbaar zijn, dat een deel van de geschiedenis van de eens bloeiende plantages is blootgelegd. Hoewel Esseline Louise Gummels haar moeder op 11-jarige leeftijd te Hazard heeft verloren, heeft haar hardwerkende vader, zijn kinderen, haar toen groot gebracht en aan ons geschonken. Zijn leven is niet tevergeefs geweest, want van tante Esseline zullen wij nog meer horen . Met lof aan Louise Wilhelmina Gummels-Juda en George Nicolaas Gummels.

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl. 1

Donk en Dikland op Hazard

Het was op 16 november 2003, dat ik samen met Phillip Dikland tijdens onze speurtochten naar restanten van plantages in Suriname, in dit geval de plantage Hazard te Nickerie bezochten. Waren we verrast door het tegenkomen van de restanten van een beddensysteem waarop suikerriet gestaan heeft, van de suikerpersen, stoomketels, pontons e.d., tot onze grote verassing troffen wij een graf aan.Een ongeschonden graf met het opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884 – 17 februari 1919, R.I.P.Wie is de persoon die daar begraven ligt? In Nickerie kon niemand ons dat zeggen, maar het antwoord kwam onverwacht toen ik in contact kwam met de 92-jarige tante S.

Op dinsdag 5 april 2005, meer dan een jaar na mijn bezoek aan Hazard, bezocht ik tante S. thuis, te Paramaribo Noord. Tante S, niet te verwarren met tante S van “Rayman is Laat”. Ik mag van tante S haar volledige naam niet vermelden en geen recente foto in de krant plaatsen, wat ik jammer vind. Wel eentje van 1926 in gezelschap van anderen als zij op een muilezel van de plantage zit, echter mag ik niet aangeven wie van de drie dames tante S is. Het was tegen 4.30 uur in de middag dat ik bij haar thuis aankwam. Ik werd vergezeld door mijn vrouw G.Donk-Bipat, wat achteraf een goede keus bleek te zijn. Het gesprek met de vriendelijke tante S., verliep daardoor zeer vlot, zij voelde zich op haar gemak en wij werden al gauw familie van elkaar. Had ik haar alleen bezocht; wij zouden beiden misschien wat terughoudend zijn geweest. Toen wij bij de poort stonden, kwam zij van achter de voordeur te voorschijn om ons te ontvangen. Zij wachtte mij al op, was keurig en in stijl gekleed en maakte een warme en lieve indruk. Nadat wij op haar balkon, tussen de vele planten plaats hadden genomen, ze heeft een keurige tuin, werd het ijs gebroken. Dit gebeurde door te praten over de familie Donk die zij van Nickerie kende, de relatie met de familie de Miranda, de link met de familie Abrahams en Duim en de relatie met het Jodendom. Maar uiteindelijk kwamen wij bij het moment, dat zij zou vertellen over het graf en de plantage Hazard waar zij voor een groot deel is opgebracht. Met haar voor een vrouw van boven de negentig nog heldere stem, begon zij: “ Mijn moeder is op de plantage Katwijk te Commewijne geboren. Mijn grootmoeder was een slavin en mijn grootvader de plantage-eigenaar, een jood. Mijn oma heette omdat zij een slavin was, Carolina. Tijdens de afschaffing van de slavernij, was zij al op Katwijk. Zij was toen 19 jaar oud. Toen werd haar naam veranderd in Judith Hardt, let wel met dt”, benadrukt tante. En ik dacht altijd dat die oude jood, een jonge zwarte vrouw als echtgenote had genomen. “Maar neen hoor, hij was net zes jaren ouder , dus 25 jaar. Het moest dus “ true love” zijn geweest, anders kan ik het niet verklaren”. Bij dit laatste moest tante even lachen en wij met haar ,omdat het zo spontaan en in het engels eruit kwam. Het gaf het geheel een leuk tintje. Soms zou je denken dat oude mensen oud en bekrompen zijn. Maar nee, onze tante logenstraft die gedachte. Op haar leeftijd denkt zij nog jong, fris , vrij en helder. Nadat wij bij gekomen zijn van de korte spontane onderbreking, het lachen, vervolgde zij:” Mijn grootvader heette Henrie Juda. Mijn moeder, Louise , groeide net als de andere kinderen van mijn grootouders niet op in Katwijk, maar werden opgevangen door de dames Lobato aan de Wagenwegstraat te Paramaribo. Er was een minister Lobato geweest ,waar ook de jongens Spence zijn opgegroeid”. Zij maakt hier de eerste link met Nickerie. De familie Spence is vooral van Nickerie bekend .” Mijn grootvader Juda is gestorven toen mijn moeder 11 jaar oud was. Op latere leeftijd heeft mijn moeder mijn vader, George Nicolaas Gummels, leren kennen toen hij opzichter was op de plantage Hazard in Nickerie. Toen hij mijn moeder trouwde is hij vandaar gegaan om te werken op de plantage Zoelen in Commewijne. Maar na mijn geboorte in de maand oktober, is hij terug gegaan naar de plantage Hazard, waar hij toen hoofdopzichter werd. Na mij kregen zij nog drie kinderen die allemaal op Hazard zijn geboren. De jongste, dat was heel typisch, moest geboren worden en daarvoor was de voedvrouw al vanaf Nw.Nickerie afgereisd. Dat gebeurde met de roeiboot en met het getij. Maar na ruim een week verblijf op de plantage kwam het kind niet. Dus de voedvrouw, ik dacht dat zij Boyte of Boyle moest heten, moest naar een feest of zo en vertrok. Zij had waarschijnlijk maar net Nw.Nickerie bereikt, toen het kind zich aanmeldde. Toen heeft de oppasser, mister George August Harte, de bevalling geleid en kreeg mijn broer als tweede naam de naam August. Mijn moeder is vijf maanden later gestorven aan Spaanse griep. Ik woonde toen al in de stad omdat ik naar school moest. Dat kon in Nw.Nickerie niet. Er was geen wegverbinding. Met de roeiboot duurde de tocht uren en je was zo als eerder gezegd, afhankelijk van het getij. Ik bleef dus in de stad waar mijn moeder bij dezelfde mensen in de stad is geweest, de familie Lobato. Maar elke vakantie gingen wij naar de plantage, daar was ons huis. Zes maanden na de dood van mijn moeder is mijn vader directeur geworden van de plantage Hazard door meneer Linch te vervangen. Dat was dus in 1919. Omstreeks 1930 werd hij overgeplaatst naar de plantage Waterloo die vlakbij Hazard ligt. De fabriek te Hazard werd gesloten en alle riet werd toen centraal op Waterloo gemalen. De plantages Hazard, Waterloo en Nursery kwamen in handen van dezelfde eigenaar. De suikerprijs ging die tijd erg omlaag”.

Plantage Hazard

Hier kwamen de pontons met de gekapte riet

De plantage, ik heb dat van Phillip Dikland begrepen, werd omstreeks 1821 in gebruik genomen. Hazard was in die tijd nog een koffieplantage en is later overgegaan tot het verbouwen van suikerriet. Over de eerste eigenaar van de plantage is niet veel bekend. In 1814, tijdens het Engelse tussenbestuur, was hij reeds in Suriname en legde een kostgrond aan de Nickerierivier aan. Niet Hazard, die heeft Herbert pas later verworven. Toen de latere eigenaar James Balfour in 1841 kwam te overlijden, kreeg zijn erfgenaam Robert Kirke de plantage voor lange tijd in bezit. Hij is het die de plantage omzette van koffieplantage naar suikerplantage. In 1859 was Hazard een moderne suikerplantage, voorzien van vacuümpannen en centrifugale toestellen. In 1880 schakelde Hazard evenals de plantage Waterloo over op contractarbeid. Tien jaren later werd de plantage Nursery aangekocht en de drie aaneengesloten plantages vormden feitelijk een groot bedrijf.In totaal werden 2187 Brits-Indische contractanten geworven ( 1880-1916) en 3033 Javanen (1901-1929).

Ten gevolge van de wereldcrisis van de dertiger jaren van de 20e eeuw kwamen de Surinaamse suikerondernemingen in ernstige problemen. In 1932 moest Hazard de deuren sluiten. Wat nog van de glorie van Hazard getuigt, is een park van oude bomen, waar vlakbij het plantagehuis heeft gestaan. De restanten van de stoommachine en van een suikerpers van 1906.

Tante S kan nog levendig vertellen hoe het leven op de plantage eruit zag. Het stemt prettig, nog uit de mond van deze nog in levenzijde bewoonster, de dingen van alle dag van de plantage te vernemen. In geniet daarom met volle teugen van haar verhaal als zij vertelt:” Mijn vader was zoals u weet directeur op de plantage geworden. Hij stond elke dag vroeg op, om op half zes in de morgen met alle opzichters en voorlieden bij elkaar te komen. Op de plantages had je vaak naast de directeurswoning een bijgebouw met een eigen trap en kantoor. Hij kwam daar met de mensen bijeen om over het werk van de dag te praten. Nadat het werk besproken was mochten deze opzichters en voorlieden even naar huis tegen half zeven, waarschijnlijk voor hun ontbijt. Om zeven uur ’s morgens, moesten zij dan op het werk verschijnen. Op de ruggen van muilezels gingen zij dan naar het veld. Mijn vader kwam tegen elf uur in de morgen thuis en begaf zich naar zijn kantoor voor het doen van schrijfwerk. Dat moest, omdat de eigenaren van de plantage in Schotland van dag tot dag geïnformeerd moesten worden over de gang van zaken op de plantage. Daarna ging hij weer in het veld om tegen vijf uur terug te keren. Op de zaterdag tegen een uur in de middag vond de uitbetaling van de contractarbeiders en andere werkers plaats. Tegen die tijd werd de bel van de plantage geluid, als teken dat het moment voor het uitbetalen was aangebroken. Op Hazard was het bij de fabriek.

Een keer per week kwam de dokter op de plantage om de zieken medisch te behandelen. Wie echt naar de dokter moest, die ging dan. Ik denk dat het telkens op de donderdag moest zijn geweest. Ook dan werd de bel geluid om aan te geven dat de dokter er was voor de zieken. De plantage had wel een eigen ziekenhuis waar een oppasser dienst deed. Het oude ziekenhuis heb ik niet gekend. Het nieuwe lag ten zuidoosten van de fabriek. De fundamenten van het ziekenhuis liggen er nog. Om de zes maanden werd er gemalen”. Ik onderbreek tante S even, omdat ik als kleine jongen op de plantage Marienburg had meegemaakt dat in de fabriek zo goed als dagelijks werd gemalen. Waarschijnlijk vanwege de grote arealen en beschikbare riet. Tante verzekerde mij dat het malen om de zes maanden op Hazard geschiedde vanwege de beschikbare hoeveelheid riet. “ Er werd wel continu gewerkt, de aanplanten aanleggen en verzorgen, maar er werd niet continu riet vermalen. Net als op de andere suikerplantages werd het veld, voor de rietkap aanving, in brand gestoken. Dit werd gedaan om het ongedierte, bijvoorbeeld de slangen uit het riet te verdrijven. Daarnaast verbrandde een groot deel van de stengels, waardoor de rietkap werd vergemakkelijkt. De velden in brand zien was een ware happening. Veel rookontwikkeling, veel as deeltjes van de stengels die ver de lucht ingingen en het knetterende geluid van het verbranden van de bladeren. Wanneer dat werd gedaan op de rietvelden de Waterloo, die lagen dichtbij Nw.Nickerie, moesten de bewoners van hun ramen sluiten om al het rondvliegend materiaal buiten het huis te houden. Op Hazard, Nursey en Waterloo had je speciale transportkanalen, waarlangs het riet, in kleine pontons voortgetrokken door muilezels, naar de fabriek werd getransporteerd. Op Marienburg had je een spoorsysteem met stoomtreintjes, maar dat was voor een kleine plantage te kostbaar. Op Hazard waren er genoeg muilezels. Een muilezel mocht een keer gaan en komen. Het beest ging dan naar de stal om te rusten, terwijl andere ezels naar het veld gingen, om de pontons met riet te halen. Een muilezel mocht maar vier pontons voorttrekken. Af en toe werd er een tractor ingezet voor dit werk. Maar dat werd niet vaak gedaan, omdat de damwanden van de kanalen werden beschadigd. Die trok dan acht pontons, niet meer, want dan slingerden de pontons van links naar rechts. Het malen van riet gebeurde ongeveer zes weken aaneen. Dan werd de fabriek met veel tam- tam gesloten. Zolang de fabriek werkte hadden wij elektrisch licht. Daarna moesten wij het doen met de cocolampoes. Waterloo had later wel een licht- motor. Die verschafte licht tot tien uur ’s avonds. Dan moest je weer overschakelen op de cocolampoe”. Tante S onderbreekt haar verhaal om mij te vragen wat ik nog meer wil weten. Natuurlijk wilde ik hangende aan haar lippen, alles weten. Ik vraag haar daarom het een en ander over de immigranten te vertellen, wat ze graag deed .” De hindostanen heb ik meegemaakt, maar niet hoe ze aankwamen op de plantage. Maar de javanen wel. Onder de hindostanen had je veel voorlieden. Sommige waren sluiswachters. Voor de fabriek, de panboilers,die waren allemaal Guyanesen van creoolse afkomst. Deze hadden veel ervaring m.b.t. de suikerproductie. Zij maakten ook de pontons. Ze kwamen o.a. uit Berbice. Ook nakomelingen van de slaven die uit de Engelse gebieden kwamen zouden er geweest moeten zijn. In het begin werd veel met de hand gedaan op Hazard. Het scheppen van suiker in zakken geschiedde ook met de hand. Het inladen en uitladen van de pontons gebeurde met de hand. Later kwamen er hijskranen op de plantages”. Tante geeft mij een beeld hoe de bewoning van de plantage eruit zou hebben gezien. Volgens haar komt wat de buitenkant betreft, de directeurswoning van de plantage Alliance overeen met die van Hazard.

Van de vele feesten die op de plantage werden gehouden, kan tante zich voor al de Tadjavieringen goed herinneren. “ Ze maakten een bouwsel van papier dat dan werd gedragen naar de rivier. Ze kwamen dan eerst bij ons thuis. Er werd flink gedanst. Mijn ouders moesten dan wat geld, een bijdrage geven. Het bouwsel werd daarna in de rivier te water gelaten”.

Van tante S verneem ik nog meer. Te veel voor een artikel. In een volgend artikel zal ik u meer over de plantages Hazard en Waterloo vertellen, zoals ik die van haar heb gekregen. Haar verhaal is boeiend. Van de staf van de Plantage Waterloo en Hazard gaf ze mij een foto met 19 heren daarop, van wie zij nog alle namen kent. Hoewel mevrouw Louise Wilhelmina Gummels-Juda vroeg is gestorven, mogen wij blij zijn dat tante S nog in ons midden is.

K.R.Donk, 25 april 2005