Tag Archives: Nickerie

De slag op de plantage Waterloo Dl.1

Javaansearbeiders op Waterloo

Javaansearbeiders op Waterloo

Met het gebeuren op het goudbedrijf AIMGold nog vers in ons geheugen, wil ik samen met u teruggaan in de Nickeriaanse geschiedenis. Dat deel van de Nickeriaanse geschiedenis, van de vakbondsstrijd om het bestaansrecht van de werkende mens, de strijd tegen ongekende uitbuiting en miskenning. De Vakbond stelde toen, dat een buitenlandse ondernemer door opportunistische politici en bestuursambtenaren, de handen boven het hoofd werd gehouden. Dit ten koste van de weerloze uitgemergelde rietkappers en fabrieksarbeiders en hun gezinnen. Men komt in verzet tegen het feodale systeem. Politici associeerden de oprechte strijd van de arbeiders en hun leiders, met het “communisme”. De pers in het land stond versteld. Tot op heden de ouderen onder de doorsnee Nickerianen geloven, vanwege de politieke en etnisch getinte antipropaganda, dat de grote vakbondsleider Eddy Bruma, met zijn vakbond, Waterloo heeft vernietigd. Grote delen van het volk, begrepen er niets van. Als u meegaat in de geschiedenis, zult dingen die nu gebeuren herkennen. De geschiedenis herhaalt zich, zegt men. Ik praat voor u over Waterloo, met Sariman Sarjadie.

Mr. E.Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo, rechts achter hem, Ponimen met wit hemd, achtergrond de winkel van Afoek, later Idris Doekhie

Mr. E.Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo, rechts achter hem, Ponimen met wit hemd, achtergrond de winkel van Afoek, later Idris Doekhie

 

Het gouden kistje

Elk jaar weer worden rond 25 november Surinamers gehuldigd, gedecoreerd, vanwege hun verdiensten aan de maatschappij. En heel goede zaak. Zakenlui, medici, politici, maatschappelijk werkers enz., worden zo bedankt voor hun bijdrage. Maar hoe vaak is daarbij een eenvoudige, doch rasechte vakbondsleider gedecoreerd, voor zijn onbaatzuchtige werk. Hij die in de voorhoede tegen maatschappelijk onrecht en voor een menswaardig bestaan heeft gestreden? Wie kent Rannie Brown van de Nickerie Werknemers Unie nog? Wie kent zijn medestrijders de gebroeders Santoe nog?Wie in Suriname en Nickerie kennen de bestuursleden van de Bond bij Waterloo nog? De voorzitter Ali Zafdar, de onder-voorzitter Soegriemsing Sewcharansing, de penningmeester Kisoen Rahimbaks, zijn vervanger Karyantika Nadimin, de commissarissen Nanka, Riboed en Egbert Stanford en de secretaris Sarjadie Sariman, meer bekend als Ponimen. Zij en vele anderen, die tot parias werden verklaard, streden onbevreesd verder. Ik sta er versteld van, wanneer Ponimen spreekt over Waterloo en wij samen door de documentatie gaan. Documentatie die hij voor meer dan dertig jaren in een houten kistje heeft bewaard. Begrijpelijk, omdat onrecht en hebzucht van anderen hem pijn hebben gedaan. Voor dit “ gouden kistje” ben ik hem dankbaar. Waterloo is enkele jaren terug op romantische wijze door mij beschreven, maar dit keer in “De slag op de suikerplantage Waterloo”, wordt u geachte lezer, de keerzijde van de medaille gepresenteerd.

Ponimen met "gouden kistje".

Ponimen met “gouden kistje”.

Angst, misbruik, hebzucht en corruptie

Sarjadie Sariman geboren te Longmay op 2 februari 1946, vertelt het hartverscheurende verhaal, als ik naast hem onder de manjaboom op zijn erf te Karananjar zit:

“ Ik ben op de plantage vanaf mijn 15-de jaar begonnen te werken. Ik ben van alles geweest, panboiler, operator op zware machines, allrounder in de fabriek. Het werk op de plantage was zwaar, gevaarlijk, mensonterend. De rietkappers waren volkomen toegewezen op taakwerk. Zij voor elke ton riet, gekapt, sorteren, transporteren en in pontons te laden, sf 2,75 per ton werden betaald. Wij gingen in staking om net als de arbeiders van Mariënburg, toen ook moderne slaven, sf. 3,75 per ton te mogen ontvangen. Wij protesteerden tegen lonen van sf. 4,50 tot sf.20,= per week en werkweken van 77 tot 168 uren. Ik werkte een tijd lang bij de stoomketels, zo een 144 uur per week. Al jaren werden de vier stoomketels van de fabriek gecontroleerd door twee arbeiders, die beide van maandag morgen 6 uur tot en met de volgende week zondagmorgen in de fabriek bleven. Niemand wilde werken nabij de stoomketels. Één was al gesprongen. Alle vier waren zo oud en versleten, dat men daar constant in levensgevaar verkeerde. Ik kon in de fabriek 1 tot 2 uren achtereen een dutje doen. Dit op een smalle houtenplank. De ketels moesten steeds gecontroleerd worden. Eten en alles wat wij nodig hadden, moest in de fabriek bezorgd worden. Zondag mocht je naar huis om de kinderen te zien en te slapen”.

Shankar leefde zelf in grote weelde in de Big House, de oude plantage woning met honderd ramen, waarvan een raam naar men zegt, uit respect voor de gouverneur van Suriname, nooit open ging. Ik vertel aan Ponimin dat mijn schoonvader Bahadoer Bipat, mij eens vertelde dat de vrouw van Sankar aan hem eens gezegd zou hebben:” What in the world I can’t buy”. De kloof tussen rijk en arm op de plantage was echter als de diepste kloof van de Grand Canyon. Dat merkten ook de journalisten die naar Nickerie afreisden om de chaos te Waterloo te verslaan. Rudy de Bruin, Guno Meye, Sally.Blik, Leo Morpurgo, N.Haakstam, Omar Bradley, Benny Ooft, G.B.Rechterschot, Sieuw Radhakishun, L.Hercul, Henk Herrenberg, de totale media van Suriname toen. Journalisten van kranten, radio en tv( toen alleen STVS. Zal STVS de beelden nog hebben?). Er was ook een journalist, Isha Meyer uit Nederland aanwezig. En wat zagen zij op de plantage? “Naast het huis van Shankar en nog enkele nieuwe huisjes van hout en steen, vele krotten waarin nog geen varken zou huizen, donker, muf, ongerieflijk, badkamer in open lucht, toiletten die op invallen staan, open lozingen. De woonplaats van de losse rietkappers, het vroegere hospitaal van de plantage, verdeeld in vier cellen voor vier personen, donker zonder lampen. Bij aankomst krijgt elke rietkapper vier zakken, voor zijn houten brits, twee voor zijn matras, er is gras in overvloed, en twee om er in te slapen en bescherming tegen muskieten”, wordt beweerd. Steeds verwonderen de journalisten zich en stelden de vraag: “ Waarom blijven deze mensen hier wonen en werken”?

Waterlooarbeiders voor de winkel van Mohammed Ashiem

Waterlooarbeiders voor de winkel van Mohammed Ashiem

Ik stel deze vraag aan Ponimen en hij geeft als antwoord:” Daarop is moeilijk een antwoord te geven”. Het kistje helpt hem. “Er heerste een ongezonde geest op de plantage. De directie van Waterloo heeft misbruik gemaakt van een vreselijk wapen: Angst. Angst voor het verbale geweld van mevrouw Sankar, van wie een ieder bang was. Angst voor de bedrijfsleider mister Chan, haar broer en zwager van Sankar. Angst voor ontslag en uitzending naar de onbekende buitenwereld. De plantage was een staat in een staat. Angst voor de terugzending naar Guyana, waar er geen werk was( gold voor de Guyanese arbeiders). Misbruik maken van de diepe gehechtheid van de javaan aan zijn familie, van zijn zachte inborst en zijn liefde voor zijn vertrouwde omgeving, hoe slecht dan ook. Gebruik is gemaakt van de begerigheid van hoge functionarissen, partijbonzen, die geregeld te gast waren in de Big House en net als de controleurs, hun ogen sloten voor wantoestanden bij de behuizing, watervoorziening, lonen, werktijden en geen oor hadden voor klachten”.

De suikerfabriek rond 1970

De suikerfabriek rond 1970

Van mevrouw Sankar werd de uitspraak opgetekend, dat geen enkele vakbond of arbeider iets aan de bestaande situatie zal kunnen veranderen, zo lang de Vathan Hitkari Partij ( V.H.P.) onder de huidige leiding, het land regeert. Sankar zou gezegd hebben, dat zolang Lachmon er is, hij niet bang is. In maart 1972 ontkent Sankar deze beschuldigingen. Een advertentie van hem, verschijnt in verschillende dagbladen. In het dagblad Onze Tijd van 8 maart 1972 staat: “ Notice: We are very disappointed and annoyed that the Union can be so low as to make the very false statement that Mrs. Sankar said, that we are under the protection of V.H.P. That is complete false. A.Sankar”.

Waterloo was een soort concentratiekamp geworden. De toegangspoort wordt de gehele dag gesloten gehouden en onder bewaking gesteld. Bewoners van de plantage mogen hun voertuig niet binnen rijden. Het gevolg is, dat zij die inkopen hebben gedaan, hun goederen bij beetjes te voet( ongeveer 1 ½ km.) moeten transporteren naar hun woning in de omgeving van de fabriek.De situatie voor de arbeiders wordt erger. De fabriek is ruim 2 1/2 jaar gesloten. De situatie voor de vakbeweging is nog erger, omdat zij vakbondsrechten moet waarborgen. “Vooral omdat onder het toeziende oog van de overheid in Nickerie, de buitenlander Sankar van terreur gebruikt maakt om de arbeiders te bestrijden. Zelfs de politie en de geheime dienst worden ingezet”, zegt de vakbond.Erger wordt het, wanneer uitspraken van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname, door de directie worden genegeerd. Het bedrijf voor zogenaamde revisie wordt gesloten en uitsluiting wordt toegepast.

Arbeiderswoning. De afbraak was reeds aan de gang.

Arbeiderswoning. De afbraak was reeds aan de gang.

Het is 25 maart 1972, als C47 de gehele Surinaamse natie oproept, om deel te nemen aan de strijd ter lotsverbetering van de arbeidende mens in Suriname en op Waterloo in het bijzonder.

Het is al meer dan dertig jaren terug, maar anno 2007 klinken zaken bekend. Ik sta verstelt van de wantoestanden, die er toen heersten. Hoe de tactiek van uithongering en intimidatie zou worden toepast en de fabriek gesloten bleef. Tot de laatste baksteen onder het toeziende oog van de overheid de fabriek en het dorp leeggeroofd zou worden. Het verloop van de strijd op Waterloo, zal ik u, geachte lezer, in drie delen presenteren.

Kenneth Roy Donk, 17 maart 2006.

De slag op de plantage Waterloo Dl.2

In deel 1 van het artikel “ De slag op de plantage Waterloo”, heeft u kennis gemaakt met Ponimen en zijn “ gouden kistje”. Amir sankar was de eigenaar van de plantage, dus verantwoordelijk voor de leef- en werkomstandigheden. Maar was hij een slecht mens? Was hij eveneens het slachtoffer, door niet mee te kunnen gaan met de veranderingen van die tijd? Zoals elke plantage, kende ook Waterloo vreemde verschijnselen. Maar de belangrijkste vraag blijft: Hoe verliep de strijd op Waterloo?

De moskee te Waterloo anno 1968

De moskee te Waterloo anno 1968

Met Paigam brak de hel los

Jusufali Santoe, zijn vrouw Mariam en Ali Sewrutton

Jusufali Santoe, zijn vrouw Mariam en Ali Sewrutton

Om een beeld te krijgen van de toenmalige eigenaar van de plantage Waterloo, Amir Sankar, die zelf op Waterloo woonde, bezoek ik Jusuf Ali Santoe. Hij woont te Binnenweg Paradise. Hij is geboren op 5 april 1930 en is getrouwd met Mariam Santoe-Amir. Hij heeft jaren op de plantage gewerkt, is daar geboren en kan zich alles nog heel goed herinneren.

“ Het leven op de plantage had een gemoedelijke sfeer. In feite waren de mensen met heel weinig tevreden. Er werd niet veel verdiend, maar met heel weinig geld kon men aan de basisartikelen komen. De meeste mensen werkten voor ongeveer 20 centen per uur en verdienden tussen de twaalf en twintig gulden per week. Daarmee kocht men spijsolie, aardappelen, zout, blom e.d. Vis kon je op de plantage en in de omgeving vinden, terwijl een moestuintje voor groente zorgde. Op bepaalde feestdagen of op de zondag, werden er voetbalwedstrijden en cricketwedstrijden georganiseerd op de plantage. Die trokken veel publiek. De mensen uit

Feest op Waterloo nabij het voetbalveld.

Feest op Waterloo nabij het voetbalveld.

Nieuw Nickerie en de omliggende polders kwamen dan meegenieten. Op de javaanse feesten, werd gamalangmuziek gespeeld. Voor een geringe bijdrage kon je dan dansen met de danseres. Dat deden de heren graag, vooral als hun vrouw er niet bij was.Tegen eind van het jaar, organiseerde Amir sankar de zogenaamde beggarday, de dag van de armen( bedelaren). Twee stieren, schapen en geiten werden geslacht. Aan huis bij de Big House werd dan gekookt. De arbeiders die op de plantage woonden konden dan naar hartelust eten. Er was dan genoeg rijst, dhaal, pompoen, boulanger en vlees. De mannen kregen elk een kan rum en de vrouwen namen wat suiker mee naar huis.Dat waren de goede momenten. Sommigen zeggen daarom, dat Sankar niet slecht was. Maar zijn vrouw, had een scherpe tong. Ze werd daarom gevreesd, evenals haar broer mister Chan. Je moest bij haar niet in ongenade vallen. Er wordt gezegd, dat vooral om hen, Sankar de kleine verhoging niet gaf. De plantage ging verloren.

Waterloo, begin jaren 1900

Waterloo, begin jaren 1900

Sankar was in de jaren rond 1930 een kleine handelaar die goederen, o.a. blom, uien, juttenzakken, uit Guyana in Nickerie verkocht. Hij had een winkeltje vlak naast het Julianatheater aan de Gouverneurstraat. Een zekere Samlal, die woonde op de voormalige plantage Paradise te Nickerie, een van de rijkste hindostanen van Nickerie toen, heeft hem geholpen de plantage in 1934 te kopen. Maar na dertig jaren de plantage in zijn bezit te hebben gehad, wilden de arbeiders, vooral de jongeren, een loon die bij de tijd paste. Vooral na de hindostaanse film Paigam te hebben gezien, brak de hel los. Onder leiding van Rannie Brown, de voorzitter van de Nickerie Werknemers Unie, werd er strijd geleverd tegen uitbuiting. Wij vroegen om lotsverbetering en erkenning van vakbondsrechten”.

Rannie Brown, Nickeriaanse vakbondsleider van de Nickeriaanse Werknemers Unie

Rannie Brown, Nickeriaanse vakbondsleider van de Nickeriaanse Werknemers Unie

Ali Sewrutton die mij bracht naar Jusuf Ali Santoe wijst erop, dat Sankar zich had gedragen zoals dat gangbaar was in de koloniale tijd. Hij kocht niet alleen de fabriek en de velden, maar ook de mensen en hun kinderen. Wat de koloniale overheid had moeten doen, had hij op zich genomen. Hoe gebrekkig ook, hij zorgde voor de medische verzorging, behuizing, licht en water. Wat heeft de koloniale overheid gedaan met de plantage toen Sankar vertrok? Wat heeft de koloniale overheid met Mariënburg gedaan toen zij de plantage in handen kreeg? “Niets”, zegt Ali. Vooral op Waterloo werden de mensen aan hun lot overgelaten. De plantage werd tot de laatste steen onder het toeziende oog van de overheid en haar vertegenwoordiging in het district leeg geroofd. Er voltrok zich een historische misdaad. Niemand heeft toen ingegrepen.

Geen cent meer

Ik ga met Sewrutton een huis verder naar de broer van Jusuf, Roshan Santoe, geboren op 9 augustus 1942. Hij bevestigt het verhaal van Jusuf, maar geeft wat aanvullingen. “ Het was slavenwerk op de plantage. De lonen waren erg laag, lange werktijden werden gemaakt, overuren werden niet uitbetaald. Onze ouders waren tevreden met een bordje rijst, maar de jongeren wilden rechtvaardigheid, meer menselijkheid. Hoe zou een feodaal systeem zich nog in de jaren zeventig en tot heden kunnen handhaven? Mijn vader Karamat Santoe was smid op de plantage. Met blaasbalk en steenkool en ijzer kon hij wonderen verrichten. Had hij geleerd van de blanken uit Engeland, de toenmalige plantage eigenaren. Sankar hield van mijn vader. Hij kon zich niet voorstellen dat wij, de kinderen van Karamat, opkwamen voor een beter leven. Wij waren niet ondankbaar, maar wilden geen slaven zijn.De film Paigam maakte echt onze ogen open. Aslam Santoe, Matto Santoe, Hoesmad Santoe en Sjako Santoe begonnen met anderen strijd te leveren. In 1961 kregen Aslam, Matto en Hoesmad ontslag. Hoewel zij op de plantage zijn opgegroeid, moesten zij de plantage verlaten. Ook ik moest hetzelfde lot ondergaan. De strijd was hard. Mister Chan zei:” Al breekt de plantage, jullie krijgen geen cent meer”.

Roshan Santoe, ex-Waterlooarbeider

Roshan Santoe, ex-Waterlooarbeider

Mevrouw Sankar was geen makkie. ’ s Morgens vroeg kregen de leidinggevenden van de plantage ten huize van Sankar de werkopdrachten. Zij gaf ook de opdrachten en instructies. Ik heb zelf meegemaakt, dat zij gewoon een van de mannen een klap in het gezicht gaf, omdat zij ontevreden was. Zulke zaken hebben zich vele malen herhaald.Voor ons de jongeren, was de maat vol”.Met een bloedend hart hebben vele strijders de plantage gedwongen moeten verlaten. Ik denk dat de familie Sankar ook met veel pijn de plantage heeft moeten prijsgeven. Sankar was door de plantage miljonair geworden. Hij was al op leeftijd, hij kon niet meegaan met de tijd. Dat was doorslaggevend. De totale vernietiging van de suikerplantage werd ingeluid.

No balls at all

De plantage heeft vele vreemde verschijnselen verkend. Roshan Santoe vertelt:” Volgens mijn vader was het laat in de avond. Hij had met een andere arbeider tot 1 uur in de nacht in de fabriek gewerkt. Zij gingen naar huis en waren op de derde brug voordat je de weg kreeg die liep naar de begraafplaats. Zijn vriend hield hem op de brug vast en zei:” Kijk daar”. Het was een Jorkabérie, dat net langs trok. Een stoet mensen in het wit gekleed, trok achter een lijkenwagen voorbij.Dan is het verhaal bekend van de man, die zonder hoofd ronddoolt op de plantage. De geest van de man, die vermoord was nabij de eerste brug. Zijn belagers hadden hem onthoofd.Ponimen verltelde mij over een zekere Dadja, die de kracht bezat om elke vrouw van de plantage te kunnen bezitten, indien hij dat wilde. Ook dat er vooral vampieren, asemma’s, waren.In de barakken, die stonden in het gebied dat de Kasba werd genoemd, woonden arbeiders uit Haïti en Guyana. Zij hadden hun geheime krachten.

“ No bals attal”, zo stond hij bekend, van no balls at all. Had hij geen ballen? Hij speelde het spel met de duivel tegen 12 uur ’s avonds. Onder de bamboeboom in het veld achter de Big House, werd dan plaats genomen. Tegen middernacht vielen er “ bamboezaden” omlaag. Probeerde hij die te vangen, dan werden zijn handen door de klauwen van de duivel opengereten. Uit de schrammen vloeide bloed.Hij kon ook de doden uit hun graf doen opstaan. Ponimen vertelt:” Toen de grond begon te schudden, renden ik en mijn vrienden weg. Wij lieten hem alleen bij het graf. Hoe hij ons ook terug riep, wij keken niet meer om en renden weg zo hard wij konden”.Jusuf vertelt dat het graf van de eerste eigenaar van de plantage, James Balfour, elk jaar werd geopend, om te worden schoon gemaakt. Je zag dan het gebalsemde lijk in een soort koperen hangmat liggen. Sankar maakte een eind aan deze ceremonie. Philip Dikland en ik bezochten enkele jaren terug het graf.

Inmiddels werd het sinds 1953 onrustiger op de plantage. Stakingen braken uit. In 1961 en de jaren die daarop volgenden steeds regelmatiger. Vakbondsactiviteiten werden verboden. Met Rannie Brown, werd de strijd verhevigd. Hij mocht de plantage niet betreden, dus werd hij op een draagstoel, kilometers lopend, op de schouders van de arbeiders de plantage binnen gebracht. Zo sprak hij de arbeiders nabij de fabriek toe. Zijn voet raakte nimmer de grond. Nickerie heeft dappere leiders en strijder gekend.

Mr. E.Bruma( uiters rechts) viert feest met de arbeiders

Mr. E.Bruma( uiters rechts) viert feest met de arbeiders

Hoe de strijd verliep, zien wij in het derde en slotdeel van “ De slag op Waterloo”.

 

 

Kenneth Roy Donk

De slag op de plantage Waterloo Dl.3

U heeft het eerste en tweede deel van het artikel “ De slag op de

Zicht op Waterloo anno 1968

Zicht op Waterloo anno 1968

suikerplantage Waterloo” gelezen. Het verhaal van de oud Waterloo arbeider Sarjadie Sariman, meer bekend als Ponimen. Gebroeders Santoe die het verhaal van Ponimen ondersteunen. Als wij luisteren naar het verhaal rond de vakbondstrijd op Waterloo zien wij zaken als intimidatie, uitsluiting, politieke inmenging, minachting, brute geweld van de gewapende macht, minachting van de Bemiddelingsraad. Mijn taak is te putten uit het “ gouden kistje” van Ponimen en u geachte lezer uw eigen conclusie te laten trekken. Het kistje is echt goud waard. Ik wacht daarom niet langer u de laatste fase van de vakbondstrijd te Waterloo voor te houden.

Omkoperij tot ontzetting

“De Waterloo-arbeiders, gaven aan hun adviseur gisteren een boodschap mee. Daarin spreken zij de hoop uit, dat de vakbonden in Suriname, zich hun lot zullen aantrekken, opdat zij niet in hun wanhoop, er toe zullen moeten overgaan de plantage Waterloo van de aardbodem te doen verdwijnen. Mr. Eddy. J. Bruma, bracht gisteravond deze boodschap over aan de vertegenwoordigers van de vakbonden, die bijeen kwamen, om de FOLS-kwestie bespreken”. Aldus een citaat uit het Algemeendagblad Suriname van 11 maart 1969.( De onderwijzers staakten sinds 28 februari, het zou het kabinet Pengel de kop kosten). Was de totale vakbeweging van toen politiek niet gecorrumpeerd? Of hadden de vakbondsleiders nog niet van de “ vleespotten van Egypte” gegeten. Helaas kan de vakbeweging anno 2007 met moeite haar schande bedekken. Geld, politieke en macht, kwam grotendeels in de plaats van het lot der arbeiders. Er heerst grote verdeeldheid onder bonden en centrales.Het was in het geval van Waterloo anders. Vakbondsleiders vochten met hun leven als inzet.

Eddy Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo

Eddy Bruma(midden) met arbeiders op Waterloo

 

Hoewel de strijd op Waterloo pas de laatste maanden in de publiciteit was gekomen, werd er sinds 1935 strijd gevoerd voor een menswaardig bestaan. Er zijn verschillende stakingen geweest. Een reeks van grote stakingen achtereen begon op maandag 5 augustus 1968, toen het fabriekspersoneel het werk neerlegde. De directie had niet gereageerd op een brief van de Nickeriaanse Werknemers Unie ( N.W.U.) onder leiding van Rannie.Brown. De voornaamste reden was dat de directie van Waterloo zich niet gehouden had aan de overeenkomst die was gesloten met de bond in het bijzijn van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname. De D.C. van Nickerie, Biharisingh, had tot tweemaal toe een bezoek bracht aan Waterloo en gesprekken gevoerd met Chan. Het was echter niet gelukt een onderhoud tussen beide partijen tot stand te brengen. De staking duurde een week en op 14 augustus tekenden de partijen bij de Bemiddelingsraad een akkoord. Afspraken die waren gemaakt op 7 december 1953 en 7 september 1961, zouden nu “echt” worden nagekomen. Het recht van vereniging, werd steeds erkend en verbetering beloofd. Maar de werkgever paste steeds het zelfde systeem toe. Als de spanning te groot werd, werd de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname erbij gehaald. Een nieuw akkoord werd getekend. Daarna negeerde de eigenaar van Waterloo opnieuw alle rechten van de arbeiders. De commissies Mr.C.Rosheuvel( 1962) en A.Hermelijn(1969) ten spijt. De commissie Rosheuvel was ingesteld door de minister van Sociale Zaken E.M.L.Ensberg. Zij moesten een onderzoek doen naar de sociale omstandigheden op de plantage. Inderdaad bleken de omstandigheden bar slecht te zijn. Op 31 augustus brak er weer een staking uit, die duurde tot 6 september 1968. Sankar hanteerde volgens de bond de methode van omkoperij tot uitzetting. Voor de Guyanese arbeiders bepaalde hij of men in Suriname kon werken of niet. En daarnaast had je het systeem van uitknijpen van het bedrijf tot de laatste druppel. Waterloo was een stuk Guyana in Suriname. Voor Nickeriaanse arbeiders wilde de werkgever zelfs, dat zij de herrieschoppers, uit Nickerie moesten worden gezet. In 1962 moesten de arbeiders, onder bedreiging van ontslag en uitzetting een stuk ondertekenen, waarin zij zich voor drie jaren distantieerden van hun vakbond. Het hoogte punt in de dramatische ontwikkelingen kwam, toen een vijftal arbeiders werd ontslagen en werden aangezegd de bedrijfswoningen te ontruimen.

De suikerfabriek anno 1960, van achter naar voren bekeken

De suikerfabriek anno 1960, van achter naar voren bekeken

Ponimen vertelt mij het volgende:” Al in december 1968 had Sankar geprobeerd vijf van ons uit woningen van de plantage te ontzetten met een vonnis van de rechter. Het ging om mij, Ajaub Khan, Zafdar Ali, Jackey Permaul en Lokia.

Onze advocaat bracht o.a. in, dat het ontslag nimmer aan ons is medegedeeld, dat de plantage Waterloo een nederzetting is waar vele arbeiders zijn geboren en daar hun woonplaats hebben en de woningen niet als dienstwoning kunnen worden aangemerkt, dat de eisers misbruik maken van hun recht als eigenaar, zij tientallen jaren voortdurend in conflict zijn met de werknemers, dat de eisers een lock out systeem op de arbeiders hebben toegepast en hun geen werk geven als zij hun bond niet desavoueren, dat arbeiders vanaf 7 uur ’s morgens tot 6 uur ’s middags werken en dat sommige van hen zwemmend hun werkplaats moeten bereiken, dat sommige arbeiders de opdracht hadden om permanent de wacht bij de ketel in de fabriek te houden en dat zij vanaf maandag niet eerder dan de zondag daaropvolgend hun woning bereikten, dat de eisers zulke lage lonen uitbetalen, dat zij hun familie in staat kunnen stellen zich een luxueus leven aan te schaffen en enorme geldsbedragen naar Guyana kunnen overmaken.

De rechter vonniste in ons voordeel en verklaarde het ontslag nietig, in strijd met de goede trouw en onrechtmatig en in het oordeel niet van dienstwoningen kon worden gesproken. Maar Sankar zette door, tekende hoger beroep en in mei 1969 viel het vonnis in ons nadeel. De overheid zette ons toen aan, vóór dinsdagmorgen 27 mei 1969 om 8.00 uur, de woningen te ontruimen. Anders zou de overheid de woningen doen leeghalen en de inboedel op de weg zetten. De plantage directie heeft toegezegd een truck beschikbaar te stellen.Deze ontruiming werd opgeschort toen er op 3 juni 1969 een akkoord werd bereikt en de heer Reinier van Ommeren een H.T.S.-er, het bedrijf zou opstarten. Vol goede moed begonnen wij met de schoonmaak van de trenzen en de fabriek. De commissie Hermelijn zou een oogje in het zeil houden, dat afspraken zouden worden nagekomen. Binnen enkele maanden zou het bedrijf echter voor goed sluiten”.

De fabriek te Waterloo, voor een deel al geplunderd

De fabriek te Waterloo, voor een deel al geplunderd

Intussen was er een andere bond op Waterloo opgericht, de Waterloo Werknemers Bond. Rannie Brown, van de Nickerrie Werknemers Unie, had een akte van compromis ondertekend met Amin Sankar die medeëigenaar was van Waterloo. Dat akkoord werd verworpen, omdat Brown de akte volgens de arbeiders niet had moeten tekenen, zonder advies van Mr.E.Bruma. Of wilde Brown een eigen Nickeriaanse bond los van de Moederbond of C47 hebben? De Waterloo Werknemers Bond, is met de Mariёnburg Werknemers Bond toen een fusie aangegaan. Binnen enkele maanden zou het bedrijf echter voor goed sluiten.

Er heersten feodale verhoudingen

Moskee te Waterloo

Moskee te Waterloo

 

De Suikeronderneming Waterloo: plantage met fabriek en bijbehorende nederzetting( 1472 ha), werd in 1934 door de gebroeders Amir en Ahmad Sankar gekocht van de Waterloo Sugar Estate, voor ongeveer sf 40.000. In de magazijnen lag een voorraad suiker van 5000 balen van 100 kg. Suiker. Door die suiker op de lokale markt te verkopen, was een groot deel van de investering snel terug verdiend. In de toen meer dan 100 jaren oude fabriek, werd zo goed als niets geïnvesteerd, afgezien de aankoop van de machines van de plantage Alliance te Commewijne, die voor een deel hier werden ingezet. Er heersten strenge feodale verhoudingen, die uiteindelijk Waterloo ten onder deed gaan. Over de fabriek deden zich vele geruchten over ondeugdelijke controle en inspecties op gevaarlijke toestanden. Sankar stond juridisch sterk, hij had de beste advocaten ter beschikking. Maar tegen hem had zich opgehoopt, wrok vanwege de jarenlange uitbuiting, maar ook een nieuwe bewustzijn vanwege de kennismaking met betere werkomstandigheden van andere werknemers. De kinderen van Waterloo waren niet meer bereid onder dezelfde feodale verhoudingen te blijven leven en werken, die hun ouders wel moesten accepteren. Het einde voltrok zich snel. Maanden lag het bedrijf stil, totdat op 3 juni 1969 een overeenkomst werd sloten. Omstreeks 20 november 1969 doet de werkgever aan de arbeiders een nieuw voorstel tot o.a. nieuwe arbeidsvoorwaarden. Op 8 december 1969 komt de directie met de bekendmaking het bedrijf op 20 december 1969 te sluiten vanwege de slechte financiële positie.

Directeurswoning, the Big House, te Waterloo

Directeurswoning, the Big House, te Waterloo

Alle woningen moeten per 1 februari 1970 ontruimd zijn. Op 22 december komt er een schrijven van de directie. Arbeiders die dat willen, kunnen een nieuwe werkovereenkomst sluiten. Zij hebben daarvoor tot 30 december 1969 de tijd. Sankar vertrekt naar Guyana. Waterloo blijft voor altijd gesloten. Onder het toeziende oog van de overheid, wordt tot heden alles van de fabriek weggedragen, elke baksteen, elk stuk ijzer, zelfs de grond door middel van illegale klei afgravingen vanaf 2004. Bruma, de vakbeweging, vakbondsleiders, de communisten, zouden de naam dragen.

Donk.K.R. 20 maart 2007

 

 

De historie rond de lijkverbranding in Nickerie

Niets is zo zeker in dit leven, dat de mens die geboren is, op een dag zal sterven. Hebben onze dierbaren het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, dan bewijzen wij hen de laatste eer, zetten het stoffelijke overschot in het graf of cremeren het.Waarvoor wij kiezen is meestal zowel religieus als cultureel gebonden. Bijna dagelijks worden nabij de monding van de Corantijnrivier lijken verbrand. Niemand in Nickerie staat er nu bij stil, dat het cremeren iets van de laatste tijd is. Voor de historie is het goed, de feiten rond het cremeren vast te leggen.

Balkaran Matai, de grondlegger

Ali Sewrutton(L) met Balkaran Matai(R)

Ik breng met Ali Sewrutton een bezoek aan Balkaran Matai, om meer te weten te komen over het cremeren in het rijstdistrict. Matai is 34 jaren lang betrokken geweest bij het crematiegebeuren en heeft de basis daartoe helpen leggen. Hij is op 6 november 1926 geboren in Nickerie. Zijn vader en moeder waren vanuit India als immigranten naar Suriname gekomen. Zijn vader Dulham Matai is met de boot Indus op 25 mei 1907 vanuit Calcutta vertrokken. Hij behoorde tot de kurmikaste, was afkomstig van het district Gonda en woonde in het dorp Jungli. Hij had als immigratienummer Jj/1389. Hij trouwde met Sankalia, zij had als immigratienummer Jj/1390. Samen kregen ze 8 kinderen, 6 zonen en twee dochters. Zij werden tewerkgesteld op de plantage Waterloo in Nickerie, waar ze tot en met 3 juli 1912 werkten. De plantage stond toen onder het beheer van H.M.D.Robertson een erfgenaam van R.Kirke. Dit alles vertelt zijn zoon Balkaran ons, om daarna zijn verhaal aldus te vervolgen:” De eerste persoon van hindostaanse afkomst van Nickerie die werd gecremeerd, is een zekere Rambaranmishre geweest. Maar dat geschiedde niet in het rijstdistrict, maar op het strand van 63 village in Guyana. Ik was toen niet met de crematie belast, maar was aanwezig toen dat geschiedde. Ik was zo onder de indruk, dat ik bij mijn terugkomst in Nickerie, ik met luciferstokjes een kleine brandstapel of tjita maakte. Ik maakte verschillende keren miniatuur tjita’s. Toen voelde ik me sterk genoeg een tjita op te zetten, waarop een lijk gecremeerd kon worden. Daarvoor wendde ik mij tot de districts-commissaris Biharisingh, die contact had met de minister van Justitie en Politie Manichand.

Het eerste lijk werd daarna aangeboden, om te worden gecremeerd. Voor het eerst zou in Nickerie een lijk te Scheveningenstrand, nabij de Rijsdijksluis aan de Corantijnrivier, worden gecremeerd. Het ging om een manspersoon, Lautan genaamd. Een immigrant uit India, die op 27 januari 1969 overleed. Hij had als immigratie nummer 147Ll. De verwachtingen waren enorm hoog. D.C. Biharisingh gaf aan dit proefproject, onder voorbehoud zijn toestemming. Bij een mislukking, zou dat de eerste en de laatste crematie kunnen inhouden”.

De 81 jarige Balkaran geeft nu nog aan zeer trots te zijn, dat zijn project de proef heeft doorstaan. Na twee en een half uur was de verbranding van het lijk een feit. Zijn gezicht licht op en zijn ogen glinsteren bij het vertellen van zijn verhaal. Hoewel hij het Nederlands beheerst, doet hij grotendeels zijn verhaal in het Hindi. Ali doet dan de vertaling. Volgens Balkaran is het belangrijk het hout in de juiste formatie en hoeveelheid op te stapelen. Daarnaast moet je weten hoeveel samagrie, de verzamelnaam van de kruiden, gebruikt moet worden. Daarbij behoren gew ( geklaarde boter), kapur ( kamfer), en agarbattie ( wierook). Normaal zijn 4 blikken gew en 1 kg. Samagrie, 4 pakken kapur en twee pakken agarbattie voldoende. Nooit is er sinds de eerste lijkverbranding, iets misgegaan. Zelfs bij regenweer niet. Als het vuur eenmaal is aangestoken, blijft het zelfs bij stortregens branden. “ Zo heeft het tijdens het cremeren van het lijk van Narsingh Surujdbalisingh, constant geregend. Het vreemde was, dat toen de crematie rond was, het stopte met regenen”, lacht en vertelt Balkaran.

Biharie Rambaranmisshre en Lautan

Bihari Rambaranmishre

Balkaran Matai heeft zich niet allen met het cremeren bezig gehouden. Zo is hij 10 jaren voorzitter van de tweede stalweide geweest. Hij was landbouwer en was lid van verschillende organisaties en trok op met bekende mensen van toen, zoals Remie Hirasingh en Soebhkaran Ramhit. Hij was een goede Ramayan zanger en kon de Geeta goed lezen. In 1948 trad hij in Paramaribo op, evenals in Guyana en Trinidad. Zijn Ramayangroep heette Madhuban. Op 22 februari 1948 trouwde hij met Mankumarie Parahoe. Samen kregen zij 12 kinderen, 5 dochters en 7 zonen. Twee zonen schopten het heel ver. Revie Matai is econoom en Kris Matai is arts en een bekende parlementariër van de VHP in Nickerie.

Balkaran is trots op al zijn kinderen. Zij zijn ook trots op hun vader, die het fundament heeft helpen leggen voor het cremeren. Dat de hindoes in Nickerie hun geloof van wieg tot graf goed kunnen beleven. Dat hij zijn buurman Lautan het eerst mocht cremeren, zal hem altijd bijblijven. Ali en ik, brengen de zoon van Lautan, Jagroep Lautan en zijn vrouw Dhanradji Lautan Sewnarain ook een bezoek. Zij wonen in de Corantijnpolder serie B no. 10 waar ook de vader gewoond heeft. Jagroep vertelt zijn verhaal:” Op de dag dat de parlementariër Oedayrajsingh Varma in Paramaribo werd gecremeerd, stierf mijn vader. Harry Laighsingh, statenlid van de VHP voor Nickerie, heeft gepleit de crematie van mijn vader mogelijk te maken. Iedereen was angstig, omdat wij niet wisten hoe het zou aflopen. Zou er een onaangename geur ter plaatse zijn? De D.C. zorgde voor militaire bewaking, die tot het einde de wacht hield. Maar er was een probleem. Wij moesten het lijk drie dagen lang goed houden, tot alles geregeld was. Er was toen daarvoor geen koelsysteem in het district. Wij maakten toen een houten bak die met zinkplaten werd bekleed. Het geheel liep schuin af. Het lijk werd daarin geplaatst en met ijs koel gehouden”.

Tjitra op het Corantijnstrand

Bihari Rambaranmishre

Om meer te weten over de eerste Nickeriaan, die (in Guyana) werd gecremeerd, brengen wij de 73 jarige Dharmradj Hirasingh meer bekend als Diamond, een bezoek. Diamond beheert de tempel te Corantijnpolder serie B. Hij vertelt ons het volgende:” De 84 jarige Bihari Rambaranmishre, mijn guru wilde na zijn dood worden gecremeerd. Hij kon daarvoor geen vergunning krijgen. Hij kwam in 1904 via Demerara naar Suriname. Zijn immigratienummer was 134 Gg. Hij koos in Suriname de geslachtsnaam Rambaran Mishre en de voornaam Bihari. Hij was een bekende aannemer in Nickerie. Hij had gezag in zijn woonplaats en was een klankbord voor de ingezetenen, een aanspreekfiguur voor vele sociale en godsdienstige vraagstukken in de samenleving. Bihari onderhield de polders en kanalen van het district. Hij was tevens de voorzitter van het waterschap van de van Drimmelenpolder. De toenmalige districts-commissarissen zagen in hem iemand naar wie het districtsbestuur kon luisteren. Mijn guru had drie zonen en vijf dochters. Zijn zoon Sewaram Rambaranmishre was hartspecialist in Suriname. Hij overleed echter op 47 jarige leeftijd aan een hartaandoening. Ik heb veel van mijn guru geleerd, o.a. over het hindoeïsme, en de handel. Toen hij in 1961 stierf heb ik er alles aan gedaan zijn wens in vervulling te brengen. De tolk Girdharie en Bestuurs- Opzichter Girjasingh hebben mij daarbij geholpen. Maar in Nickerie kregen wij geen vergunning voor zijn crematie. Pandit Oeditnarain van Guyana zorgde wel voor een vergunning in Guyana. Hij hield toen ook de ceremonie. Het lijk werd twee dagen met ijs koel gehouden en verduurzaamd. Met de barkas brachten wij het lijk toen over. Op het laatste moment wilde de politie in Guyana toch nog de crematie tegenhouden. Maar op instructie van pandit Oeditnarain, werd het lijk snel op de tjita geplaatst toen wij aankwamen. Toen de politie arriveerde, was het vuur al aangestoken en was de wens van mijn guru in uitvoering”.

Waar een wil is, is een weg. Vanwege de inzet van o.a. Matai Balkaran, zal zolang er mensen geboren worden, het vuur in Nickerie, feilloos blijven branden.

K.R.Donk, 9 januari 2008.

Dalbahadoor Dalloesingh; over wagens en Oranje

Dalbahadoor Dalloesingh, geboren op 7 december 1895 in Nickerie, staat bekend als de eerste Nickeriaan die een transport bedrijf begon in het rijstdistrict. Britchbasie Dalloesingh te Corantijnpolder, Harribahadoorsing Dalloesingh, Inderbasie Dalloesingh en Roy Sahadew Mahadewsingh de echtgenoot van Inderbasie, vertellen het verhaal. Wat het levensverhaal van Dalbahadoor zou worden, krijgt een onverwachte, doch bijzondere Oranje wending.

Dalbahadoor Dalloesingh(L), vouw Bhoodia(R) en 12 kinderen(M)

Taunusbussen en Amerikaanse auto’s

Er waait een koele zeewind door de Corantijnpolder als wij bij het huis van Britchbasie Dalloesingh arriveren. Hier gebracht door Bisnoepersad Dalloesingh een kleinzoon van Dalbahadoor Dalloesingh. Bisnoepersad is het gewezen hoofd Openbaarvervoer sectie Nickerie. Vertegenwoordiger TCT in het districtskabinet rond 1990. Nu ondervoorzitter van CLO-Regio West, lid van het hoofdbestuur van de CLO en voorzitter bij de bond van het ministerie van Openbare Werken in Nickerie.

Britchbasie Oemrawsingh-Dalloesingh en Harribahadoorsingh Dalloesingh

Harribahadoorsing Dalloesingh meer bekend als Max, die vanuit Nieuw Nickerie is meegekomen, laat de geschiedenis van Dalbahadoor herleven: “ Ik ben geboren op 23 juli 1933 aan de Achterstraat 18, nu de Doergasawstraat, te Nieuw Nickerie.Daar had mijn vader, Dalbahadoor Dalloesingh zijn auto- en busbedrijf, die de route vanuit Nieuw Nickerie, Paradise, Hamptoncourt vis a versa onderhield. Hij had naast de acht personen Taunusbussen, ook nog enkele mooie Amerikaanse auto’s, waarmee taxi werd gereden. Mijn vader is op de suikerplantage Hazard geboren. Zijn moeder heette Hankumari 1035/V en zijn vader was afkomstig van Katmandu in Nepal. Hij is evenals zijn vrouw, door de immigratie uit Brits-Indië in Suriname beland. Dalbahadoor trouwde met Bhoodia de dochter van Chhanai 472/V en zijn vrouw Maharajee. Maharajee is de dochter van Orie 474/G en zijn vrouw Lallia 494/G. Bhoodia moet rond 1902 zijn geboren. In dat jaar is ze door haar vader erkend. Mijn vader en moeder kregen 21 kinderen, van wie 12 in leven bleven. De namen zijn: Sorijpaulsing, Oobijsing, Choobasi, Jagatpaul, Britchbasie, Sunderbassia, Chanderbasi, Hatabahadoorsing, Harribahadoorsing,Dewbahadoer, Bridjbahadoer en Inderbasie. Allen geboren tussen 1916 en 1947. Mijn vader heeft veel op de suikerplantages Hazard waar hij is geboren en Waterloo waar hij heeft gewerkt, geleerd. Toen de stoommachines te Waterloo in de jaren dertig kapot raakten, was hij het die ze weer opgang bracht. Toen de ingenieurs uit Schotland arriveerden, stonden ze er versteld van. Ze wilden toen mijn vader naar Engeland meenemen om met ze te werken in de fabrieken, maar hij weigerde dat. In een ander geval werd ook de kennis van mijn vader over machines duidelijk. Toen de boot van de gouverneur van Suriname in Nickerie defect raakte, was er niemand die de motor kon maken. Uiteindelijk liet men mijn vader halen, die het klusje klaarde. Op verzoek van de gouverneur vertrok hij met het gezelschap mee naar Paramaribo. De gouverneur was zo blij dat alles goed verlopen was. Dalbahadoor mocht daarom iets vragen. Hij vroeg om de bootverbinding tussen Nickerie en Skeldon in Guyana te mogen onderhouden. Daarvoor kreeg hij van de gouverneur de vergunning. Maar zijn auto- en busbedrijf is me echt bijgebleven. Pas later kwamen personen als Lampa, Bhaan, mijn broer en Rambadjan met een taxibedrijf”.

Taxibedrijf Rambhadjan aan de Gouverneurstraat rond 1950

Dalbahadoor was een groot en zwaar gebouwd man. Hij sprak altijd rustig en maakte altijd tijd voor zijn medemens. Had veel aandacht voor zijn familie. Hij was niet werkschuw. Zo heeft hij ook gewerkt voor een oliemaatschappij, die in de eerste helft van de vorige eeuw al olieboringen deed in Nickerie. De boringen werden o.a. verricht bij de Bolletriekreek te Henar. Een boorput had je waar nu het huis van familie Dalgety staat.

Bernhard, Juliana en Beatrix, donder op het plein

Britchbasie Dalloesingh is geboren op 14 augustus 1924 . Zij vertelt dat zowel de auto’s als de bussen van Dalbahadoor, een naam hadden. Zoals Jiwan Latta, Royal Express en Road master. Channai, Kasinath, Ghirrao en Pare waren zijn chauffeurs. Een zuster van Dalbahadoor was getrouwd met Rambadjan, met wie hij later een samenwerking aanging. Dan vertelt ze ook over het voorval van de boot van de gouverneur. Ingenieur van Dijk en Harry Hermelijn hadden aan de motor gewerkt. Niets mocht baten tot Dalbahadoor zich ermee bemoeide. Of het voorval in het theater van Djassoe Sitalsingh aan de Gouverneurstraat, dicht bij de Waterloostraat. Men was net overgegaan van de zogenaamde stille films naar films met geluid. De operator wist niet met de projector om te gaan, waardoor er geen geluid was. De mensen begonnen om teruggave van hun geld te roepen. Dalbahadoor werd er bij gehaald, en die avond kon de filmvoorstelling voortgang hebben. Maar wat mij opviel was, dat Dalbahadoor gewaardeerd om zijn kennis, voor ons een dochter had achter gelaten, die uit het hoofd kon dichten en de zangkunst machtig is. Op een dag moest zij voor een gesprek bij de toenmalige D.C. van Nickerie, Rashid Doekhie in verband met een vergunning die ze had aangevraagd. Op de vraag die hij haar stelde, wie ze was, of zij Nickeriaanse was en wat ze wilde antwoordde zij als volgt:” Ik wilde niet trouwen, maar moest dat in 1940 met Oemrawsingh die als voornaam had Mahadewsingh. Ik ben Nickeriaanse en Nickerie behoort aan mij, zolang ik heb te leven. Gerarda is mijn naam, mij door mijn doop gegeven. Dalloesingh is mijn faam en al mijn vaderlijke stam. Nickerie, is de plaats waar ik ter wereld kwam, door mijn vader niet geschoold, maar met een goed verstand. Erg knap als hij was, maakte hij kleine bootjes op de plantage Hazard, werd toen een grote monteur en genie. Noem een auto, hij had die. Van Nieuw Nickerie naar Springlands, voerde zijn boot Prinses Margriet”. D.C. Doekhie wist niet wat hij hoorde. De vergunning werd toegezegd. Rooms Katholiek gedoopt leerde zij van Pater Petrus en Frans het Latijns. Zingt Latijnse liederen. Ze is tot de zevende klas van de St. Claraschool geweest. Was een tijdje in Radjpur in Paramaribo. Leerde op noten zingen bij meester van Kanten. Ze speelde piano en zong de eerste en tweede stem. Als klein meisje op de Claraschool zong zij toen prins Bernhard en Prinses Juliana trouwden een liedje. Dat liedje kent ze nog steeds. Op mijn verzoek zingt zij het voor ons:”

Juliaantje onze prinses van Nassauen. O wij bieden blij van geest. Allerbeste heil en zegen op uw blijde huwelijksfeest. Vlaggen wapperen vrolijk uit, voor prins Bernhard en zijn bruid.

Heden stapt gij in het huwelijksbootje, u prins Bernhard staat aan het roer. Mocht gij somstijd door de storm moeten varen. Neen, uw boot zal niet vergaan. Vlaggen wapperen vrolijk uit, voor prins Bernhard en zijn bruid”.

En toe prinses Beatrix geboren werd zong zei:” De kanonnen klonken in het morgen uur als donder op het plein. De Oranje zon ging op met groot plezier voor ons prinsesje klein. Alle kinderen gooiden de muts en pet in de lucht met grote pret. Ter eer van ons prinsje, leve het prinse kind hoera hoesee.

Onze Bernhard viert nu feest, Juliana zegeviert het meest. Nederland en Overzee, viert nu blijde met ons mee, hoera, hoesee”. Zelf heeft Britchbasie 13 kinderen gehad, 9 zonen en 4 dochters.

Inderbasie met Roy

Volgens Inderbasie Dalloesingh geboren op 24 januari 1947, sprak haar vader voornamelijk Engels. Hij woonde later te Longmay waar hij een groot perceel had gekocht. Daar kweekte hij schapen en doksen. Op zijn eentje at hij een hele doks. De man van Inderbasie, Roy Sahadew Mahadewsingh kan zich nog de vele auto van Dalbahadoor herinneren. Zoals de Chyvrolet Styleline Station Wagon van 1950, en de Chyvrolet Bel Air 2400 van 1953.

Of de oranje- witte Plymouth Belvedère Hardtop 6 cylinder 3569 c.c. van 1954. Deze wagen reed hij op de weg van Hamtoncourt tot de “turning point”, dat is waar nu de Oost- West verbinding loopt. Die was er toen niet. Dan kwam een ieder naar de auto van baas Dalloe, om naar radio Guyana via de autoradio te luisteren. Hij zelf was altijd netjes gekleed. Hij hield van autorijden. Zijn zonen Max en Pai-Pai hebben jaren de busroute Paramaribo-Nickerie onderhouden, gevolgd door hun zonen Bolle, Richard, Fernando en Seties Dalloesingh. Dalbahadoor Dalloesingh blijft voortleven in de Nickeriaanse geschiedenis, zolang de naam Dalloesingh en transport zich blijven verenigen.

K.R.Donk, 26 juni 2008.

Sarmidie, na 55 jaar terug op Krappahoek

Op 20-jarige leeftijd vertrok hij met zijn pleegouders Kadi en Sati naar Indonesiё.

Sarmidie, met ouders en zusters

Hijzelf die te Krappahoek in Nickerie op 29 maart 1934 is geboren, kon toen niet vermoeden, welke invloed deze stap op zijn verdere leven zou hebben. Vader , moeder, broers en zusters, verruilde hij, voor een niet al te duidelijke bestemming. Als dan na tientallen jaren Sarmidie zijn geboorteplaats bezoekt, lopen de emoties hoog op. Zeker is het , dat hij voor altijd een innerlijk verdeelt mens zal blijven. Hij en zijn familie, hebben voor Indonesiё een hoge prijs moeten betalen.

Ouders, broers en zusters keken machteloos toe

Sarmidie is twintig jaar als hij te Paramaribo voet zet op de Lankwash het schip van de Rotterdam Lloyd. Het schip dat hem en zijn pleegouders zou vervoeren naar Indonesiё. Zijn ouders eerder als immigrant naar Suriname gekomen hadden 12 kinderen, waarvan hij het zesde kind was. Zij kozen ervoor hem en een zus aan een kinderloos echtpaar toe te vertrouwen. Uiteindelijk besloten deze terug te keren naar het land van herkomst. Met de Perica, die de verbinding tussen Paramaribo en Nickerie onderhield, begon de reis naar de nieuwe bestemming. Broers, zusters, vader en moeder bleven huilend achter op de steiger van Nieuw Nickerie. Machteloos zagen zij de Perica de monding van de Nickerierievier opzoeken, om de bocht nabij Waldeck en tenslotte de laatste bocht naar de oceaan te nemen. Sarmidie is nu na vele jaren terug, in september 2008 aangekomen, is hij er al voor bijna zes maanden. Op zondag 15 februari 2009, komen de hele familie, vrienden

Sarmidie met jeugdvrienden

en kennissen bijeen, want voor hem wordt dan een afscheidsfeest gehouden. Sarmidie is de zwager van Ali Sewrutton, dus zijn hij en ik ook van de partij. Ik ben er voor u, om het verhaal van de eregast vast te leggen. Wirjosemito-Abdoelkadir Hellen, die als tolk daarbij optreedt, verricht goed werk als Sarmidie zijn levensverhaal vertelt:” Ik ben geboren te Plantage Krappahoek aan de Nickerierivier. Mijn vader heette Pawirosoedarmo en mijn moeder Wirjosimito. Als kleine jongen heb ik de Sint Felixschool een Rooms Katholieke school te Hamtoncourtpolder tot de vierde klas bezocht. Ik kan me nog de onderwijzers Banwarie, Rampersad, Panday en Karsowidjojo heel goed herinneren. Ik kon de school best wel aan. Ik kon op latere leeftijd, zowel javaans, als het hindostaans goed spreken. Ik ben niet opgegroeid bij mijn ouders, ik was afgestaan aan een pleeggezin. Ik was het enig kind van mijn pleegouders. Ik hielp mijn pleegvader in de landbouw bij het planten van rijst. Mijn pleegouders waren lief voor mij, ik was hun oogappel. Ik hoefde hen niet te helpen met werken, maar ik koos daarvoor. Ik had veel hindostaanse vrienden, zoals Sitaloe, Soekhlal, Mangroe en Pokai. Javaanse vrienden die ik nog ken zijn Sjaitie, Semin, Sompo, Doegal, Tamser, Senen en Tamdie. Semin Wongsonadi en Senen Kariman zijn hier aanwezig. Ik had ook javaanse vriendinnnen: Poniera, Natmina, Marie en Ponimah. Op een dag vertelden mijn pleegouders mij, dat wij naar Indonesiё zouden vertrekken. Het vreemde was, dat ik mij verheugde om naar het verre land te gaan. Vreemder was het en tot nu toe kan ik het niet begrijpen, mijn biologische broers en zusters was ik totaal vergeten. Ik weet niet waarom ik niets voelde toen ik vertrok. Zou een stille kracht, of goena goena, daarbij een rol gespeeld hebben? Hadden mijn pleegouders daarbij een vinger in de pap? Dat denk ik niet. Feit is, dat ik het nog steeds niet begrijp. Mijn biologische ouders hadden gehoopt, dat ik in Indonesiё mijn familie zou ontmoeten. Maar ik kwam op een heel andere plaats terecht, waardoor dat kontact nooit tot stand is gekomen”.

Er was veel teleurstelling, armoede en verdriet

Sarmidie met tolk Abdoelkadir

Het is een ervaring om te zien, hoe Abdoelkadir als hindostaanse, in vloeiend javaans kontact heeft met Sarmidie. Laat me denken, welk een schat wij in Suriname bezitten, hoe vooral oudere generaties elkaar met de taal van de ander kunnen benaderen. Ik zag dat ook bij de 92-jarige Joseph Alexander Lecton, bij het praten van het Hindi. Sarmidie vertelt dat de reis enkele weken geduurd heeft, om uiteindelijk via Afrika de plaats Padang in Indonesiё te bereiken. Van daaruit hebben de reizigers drie dagen en nachten met de bus moeten reizen om onze eindbestemming Tongar in Sumatra te bereiken. Via Abdoelkadir is zijn boeiend verhaal vlot te volgen:” Wij waren met 117 personen vanuit Suriname vertrokken. Wij werden bij aankomst in barakken ondergebracht. Ons was verteld dat wij veel luxe tegemoet mochten zien. Ons was beloofd, dat wij 5 ha. per persoon zouden krijgen. Wij kregen 1 ha. per persoon aan oerwoud, dat wij zelf moesten ontbossen. Mijn pleegouders hadden 375 gulden per persoon voor de overtocht moeten neertellen. Zij hadden daarvoor hun huis en perceel op Krappahoek verkocht. Wij hadden geen geld meer om naar Suriname terug te keren, dus moesten wij ons onderwerpen aan de situatie: werken, nog net verdienen om te eten. Er was veel teleurstelling en verdriet. Wij hebben ver van de grote steden, lang in armoede moeten leven. Pas na drie jaren, herinnerde ik mijn broers en zusters in Nickerie weer. Ik schreef daarop een brief in 1959, die ik na twee jaar in 1961 terug ontving. De moed zonk mij bijna in de schoenen. Pas na tien jaren heeft een brief van mij, mijn familie in Suriname bereikt. Ik heb daarop een antwoordschrijven ontvangen. Wij wisselden pas na twintig jaar de eerste foto’s uit. Ik trouwde drie jaren na aankomst in Padang met Jatini, die ook was meegereisd met haar ouders. Dat huwelijk hadden onze ouders reeds in Suriname bepaald. Wij hielden van elkaar en bleven 13 jaar bij elkaar. Ik kreeg met Jatini 7 kinderen. Maar ze kon de armoede en het dorpsleven niet aan. Ze vertrok uiteindelijk naar de grote stad Riao, 16 uur verwijderd van Tongar. Ze nam bij haar vertrek, 1 kind mee. Ik trouwde vervolgens met Sarti. Zij was ook met hetzelfde schip als mijn ouders en ik, uit Suriname vertrokken. Zij had een voorkind. Ik met haar geen kinderen gehad. Ik heb nog kontact met mijn eerste vrouw. Soms komt ze bij ons op bezoek”.

Alif Lam Meem

Alif Lam Meem, Ali en Sarmidie op het eind van de tafel

Sarmidie heeft een winkeltje waar hij meubels verkoopt die hij zelf maakt. Veel wordt niet verkocht. In de Dessa koopt men pas iets als men het echt nodig heeft. Twee van zijn kinderen zij onderwijzers geworden. Alle kinderen wonen in de steden. “ Nu ben ik reeds zes maanden in Suriname. Ik huilde toen het vliegtuig Suriname had bereikt. Ik zat vol emoties. Hoewel veel is veranderd, de huizen zijn groter, herken ik toch mijn geboorteplaats. Ik ben nu innerlijk zeer verdeeld, omdat ik terug moet. Ik moet terug omdat ik Sarti die nu oud is niet alleen kan laten. Ik kan haar dat niet aandoen weg te blijven, hoewel het zwaar is nu weg te gaan. In Indonesiё heeft men mij op goed vertrouwen een paspoort gegeven. Ik sta nergens geregistreerd. In feite heb ik al de jaren niet bestaan. Op 29 maart a.s. wordt ik 75 jaar. Ik heb geluk dat ik mijn geboorteland weer kon bezoeken. Mijn reis naar Suriname heeft 3000 Euro gekost, dat door de familie in Suriname is opgebracht. Het heeft 55 jaar geduurd

Sarmidie,(derde van rechts) met broers en zusters

alvorens hier te zijn, omdat ik de reis niet kon betalen. Ik ben enorm blij bij mijn broers en zusters terug te zijn”. Het afscheidfeest voor Sarmidie is emotioneel zwaar beladen. Het is moeilijk te onderscheiden aan welk gemoed de tranen die vloeien moeten worden toegeschreven. Op vele momenten kunnen hij, vrienden en familie hun tranen niet bedwingen. Sarmidie maakt voor u en mij, trots de drukte, speciaal de tijd zijn verhaal vast te leggen. Uit de Koran wordt voor het feest begon, uit het hoofdstuk De Koe, Alif Lam Meem… gereciteerd:” Dit is het boek waaraan geen twijfel is, een leidraad voor de Moettaqoen. Degenen die in het onwaarneembare geloven en de shalaat onderhouden en die bijdragen geven van waar Wij hun mee hebben voorzien…..”.

K.R.Donk, 28 februari 2009.

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl.2

Restant suikerpers op Hazard

Niet lang terug verscheen in de Ware Tijd het artikel: Louise Wilhelmina Gummels dl. 1. Namens tante S dank ik een ieder voor de leuke reacties op het artikel. Alle lof en eer komt in elk geval de 92 jarige tante S toe, aan wie ik de informatie te danken heb. In het bijzonder de informatie over haar moeder Louise Wilhelmina Gummels-Juda, wiens graf ik op de plantage Hazard in Nickerie heb aangetroffen. Daarnaast de informatie over de plantagegeschiedenis van Nickerie die ik mocht vastleggen voor ons nageslacht. Maar wat tante S te vertellen had, was te veel voor een artikel. Daarom zoals beloofd, hier het slotdeel, waarin wij tante S nader mogen leren kennen en van haar verhaal mogen genieten.

Hoe het begon

Het was op 16 november 2003 dat ik met Phillip Dikland op onze speurtocht naar de plantagegeschiedenis van Suriname te plantage Hazard, stuitten op een ongeschonden graf met als opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884- 17 februari 1919, R.I.P.Aangezien niemand ons de informatie kon verschaffen wie daar begraven lag, was ik enorm blij om na bijna twee jaren, op goed geluk, in contact te komen met de lieve tante S. Zij vertelde mij het mooie verhaal van haar moeder, de dochter van de vrijgekomen slavin die eerst Carolina heette en na de afschaffing van de slavernij de naam Judith Hardt kreeg. Zij trouwde met Henrie Juda en kregen samen een dochter, die zij de namen Louise Wilhelmina gaven. Op de plantage Hazard leerde zij George Nicolaas Gummels, die op de plantage als opzichter werkzaam was, kennen. Zij trouwde met hem en samen kregen zij verschillende kinderen waaronder tante S. Tezamen met dit familieverhaal, wordt de plantage Hazard in beeld gebracht.Voor het volledig verhaal verwijs ik u, geachte lezer, terug naar deel 1 van het artikel Louise Wilhelmina Gummels-Juda, verschenen in de Ware Tijd van zaterdag 30 april 2005.

Esseline Louise Gummels

Hoewel ik van tante S haar identiteit volstrekt niet mocht prijs geven, wat ik ook niet heb gedaan, heeft zij na het verschijnen van deel 1 van dit artikel kunnen ervaren, dat het ijdele hoop was, onbekend te blijven. Want u, wist haar te vinden. Daarom mag ik nu tegen u die het niet weet zeggen, dat tante S niemand minder is dan Esseline Louise Gummels, geboren in Paramaribo op 16 oktober 1912. Zij is lief, wijs, scherp en heeft een stem van een jonge vrouw. Op 92 –jarige leeftijd doet zij nog alles zelf in huis. En als u haar thuis bezoekt, moet u niet vreemd opkijken dat zij samen met u een “tikje”, rumcola of zo, met u gebruikt. Is dat haar geheim, zo’n hoge leeftijd te halen? Neen,zegt ze. Ga veel met jongeren om. Voor haar geheugen heb ik zeer veel bewondering. En hoewel zij niet toegeeft lief te zijn, volhard ik in mijn stelling met dezelfde “ koppigheid” die ik van haar heb mogen leren. Zij gaat door dik en dun voor haar mening, nadat zij de echtheid daarvan heeft kunnen beargumenteren. Over een ding kunnen wij het niet eens worden. Zij zegt dat zij met haar hoge leeftijd niet mooi is, maar ik blijf erbij, zij kleedt zich in stijl en is lief en mooi. Ik probeer haar te overtuigen met de stelling, dat de vrouw de personificatie van de liefde is. “Zie de moeder”, zeg ik. Is het niet zij die wanneer de mens die ter aarde komt, zij haar warme zoete melk aan hem te drinken geeft, zodat hij het verdere levenslicht, het leven mag blijven aanschouwen. Daaruit kracht mag putten en tot volwassenheid mag komen, ook vanwege de liefdevolle verzorging die gegeven wordt. Dus ik vind haar mooi, toch mag ik van haar geen recente foto publiceren, vandaar dat ik gebruik maak van een oude foto uit haar jongere jaren.

Hazard, de fabriek rond 1890

Met tante Esseline gaan wij nu terug in de tijd als zij over de plantage Hazard vertelt:” De gebroeders van Tholl , Challie en Williams, kan ik mij zeer goed herinneren. Een werkte in de smederij van de fabriek en de andere in de timmerloods. In de middag als ik met mijn broertje op de trap van het oude echtpaar Giliard zat, want wij zaten daar vaker in de middag, kwamen de broers langs. Opa en Oma Giliard woonden bij een zijweggetje dat uitkwam bij de fabriek. En als de broers ons zagen dan was het altijd:” Dag essie, dag broerie”. Mijn broer werd broerie genoemd”. Tante Esseline moet er even om lachen als ze er nu naar terug denkt. Van opa Giliard kan zij zich herinneren dat hij een prachtige man was. Hij had zoals zij het zegt, vreselijke lange nagels. Hij had heel lang op de plantage gewerkt als veldopzichter om uiteindelijk te eindigen in de fabriek.

“ Ik weet”, zegt zij,” toen woonden wij op de naburige plantage Waterloo en hij kwam bij ons thuis voor een feestje met de opzichters. Toen vertelde de administrateur van de plantage, meneer Gorden, aan de aanwezigen dat Opa Giliard weer op de muilezel naar het veld ging. Gorden sprak van Peter Pan, die werd toch nooit oud. Maar Giliard was toen al heel oud, boven de zeventig moet het zijn geweest. Maar omdat het zeer slecht ging met de suiker, dus met de plantage, moest hij weer het veld in als opzichter. Kijk, je had geen enkele sociale verzekering in die tijd. Als je wilde overleven moest je werken. Je werkte tot je erbij neerviel, klaar. Geen enkel gebaar, niets. Mijn vader heeft hoewel hij een topfunctie had, geen enkel rooie cent pensioen gehad. Hij had op zijn oude dag geen geld. Sparen ging moeilijk, of je moest vreselijk gaan stelen en onbetrouwbaar zijn”. Ik probeer dit niet te begrijpen en wijs tante erop, dat haar vader toch directeur van de plantage was. “ Wat dacht je dat een directeur verdiende? Duizenden?” Gaat zij verder. “ Helemaal niet. Dan had je altijd een heel gezin die je in Paramaribo moest verzorgen. Want de plantage had geen school. Geen enkele planter of opzichter is in die tijd rijk geworden, of je moest hebben gestolen. Het zijn de plantage-eigenaren die van hun bezit rijk werden. Voor knoeien moest je niet bij mijn vader Gummels zijn, neen echt niet. Hij heeft tot zij zeventigste op de plantage gewerkt. De laatste jaren op de plantage Alliance te Commewijne totdat die aan het gouvernement is verkocht. Hij kreeg toen een onderstand van het gouvernement, eigenlijk niet de moeite waard. Hij heeft toen tot zijn dood voor de firma Fernandes gewerkt”. De vader van tante stamt af van de stamvader Gerard Heinrich Gummels met Jorjean Christie.

Mardie

Op zich vond tante Esseline het leven op de plantage gezellig. In Paramaribo ging zij op school en bleef bij de familie Lobato aan de Wagenwegstraat waar nu de zaak Sweet Hart is. Er stond toen een soort grote dubbele woning, tweehuizen onder een kap. Daar hebben de gebroeders Spence: Bob, Tom, Freddy en George, Just ter Meer en zijn broers en de jongens Stuger, wier vader ook opzichter op plantage Hazard was, gewoond. “Ik was een prinses tussen al die jongens”, zegt tante. Ze zegt daarna nog iets, maar daarop staat censuur. Niet slecht hoor, maar de vrouwen zouden boos op haar worden. Als de vakantie aanbrak, dan was het tijd om naar de plantage te gaan. Wegens ziekte mocht zij in haar kinderjaren zelfs een jaar lang op de plantage blijven. De familie Spence kent zij nog heel goed. De vader kwam uit Schotland, die heette Charles. Hij had een hindostaanse vrouw die mother werd genoemd. Zij noemt de kinderen in volgorde: Kitty( getrouwd met Goodings), Challie, Elisabeth( Bessy), David, Bob, Thomas(Tom), Freddy, George, Lussy en Annie. Ze hadden allemaal slechte ogen en droegen een bril. Freddy zei altijd volgens tante: “ Nog een nummer hoger, nog een nummer hoger, en ik ben blind”. Hij bedoelde dan de sterkte van de glazen. Ai, wij moesten toch wel even lachen om die Freddy. “ Het leven op de plantage was voor haar als kind, heerlijk. De immigranten kookten de dingen zoals we die nu kennen. De javanen maakten bijvoorbeeld hun bamie en nasie. Er was veel wild en vis op de plantage. Veel gevogelte, zoals bosdoksen en de verschillende eenden. Denk aan de skoertjies. Wij aten twee keer per dag warm op de plantage. Er was ook vee op de plantage die melk en vlees leverde. Een slagerij heb ik niet gezien, maar er kwam wel vlees op tafel. Er waren speciale kokkinnen die zorgden voor de maaltijden. Op Hazard was de keuken tegen het huis aangebouwd. Een enorme keuken met een groot fornuis, dat een schoorsteen had. Het fornuis werd met hout gestookt. De hel was nog koeler dan onze keuken denk ik. Vreselijk was het. Dan had je nog een bijkeuken met een rij koolpotten. Je had in de keuken ook een brandmirrie, een soort stenen aanrecht met ijzeren staven. Daarop werd ook gekookt. Het huis was groot. Er waren schoonmaaksters en wasvrouwen. Er moest veel geschrobd worden. Er was een tuinman en een muleboy, die moest voor de muilezelzorgen en water naar het veld dragen. Daarnaast maakte hij dagelijks de leggings, de kaplaarzen van mijn vader schoon. Verder begeleide hij mijn vader naar het veld samen met de battoboi. De laatste moest met een soort bootje( platte houtenkist), mijn vader over de vele transportkanalen die de plantage kende, zetten. Bij het kanaal bleven zij dan wachten tot de opzichter verder moest naar andere kavels. De muleboy heb ik vele jaren later in Paramaribo ontmoet. Hij werkte als wachter bij Varenkamp. Hij herkende mij niet, maar ik hem wel. Toen ik na sluitingstijd in de avond gehaald moest worden, stond hij al op wacht. Hij zei toen tegen mij, toen twee jongetjes passeerden,:” Toen ik zo klein was moest ik al op de plantage werken”. Ik vroeg hem welke plantage. Hij zei Waterloo in Nickerie. Toen zei ik hem,:”Ken je meneer Gummels dan?”. Toen zei hij: ”Ach ja, tuan besar ”, wat betekent zoiets als de grote heer, zoiets als saheb. Toen zei hij dat mijn vader kinderen had en noemde al de namen. Ook Esseline die hij een mooi meisje vond. Toen zei ik : “Wat zeg je , ze was een mooi meisje ,kijk goed naar me”. Toen begreep hij dat Esseline voor hem stond. Hij was zo blij. Hij sprak er met de collega’s nog dagen over de tijd op de plantage. Hij heette Mardie Het was een heel mooi moment”. En toen tante dit vertelde, deed het mij echt gevoelen, dat wij samen in een historische roman waren. Ik besefte dat ook de muleboy heeft moeten presteren. “Mijn vader bleef geen dag thuis”, gaat tante verder en ik hang aan haar lippen. “Hij hield van zijn werk en de productie betekende veel.

De mensen van de plantage hadden vrij suiker. Maar als je wist hoe de suiker in bulk werd opgeslagen, at je het niet. De arbeiders stapten zo in de suiker, om die in zakken te scheppen. Alles gebeurde toen handmatig”. Ik kan me als kleine jongen herinneren dat mijn moeder aan ons zei, de klontjes die in een hoeveelheid suiker voorkwamen niet te eten. Ons werd verteld dat als de javaanse arbeiders moesten spuwen, daarvoor niet naar buiten gingen en dat gewoon in de suikerhoop deden. Dat werden dan de klontjes. Of het een grapje was weet ik echt niet. Maar dat handmatig verwerken van die suiker, dat bevestigt tante wel. “De plantages kenden ook winkels”, zegt tante. Een chinesewinkel met een echte plantage chinees, die de gewone dingen verkocht als zoutvlees, bakkeljauw en snoep, zoals de watrakan en liktongo. En wat ik zeker weet, Huntly en Palmer beschuit. De van het, echte dure beschuit die kwam in lange blikken. Die krengen bleven natuurlijk te lang in de winkels. Vervaldata kende men niet. Een keer moesten wij kinderen naar een javaans feest. We kregen geld voor de danseres, want die kreeg van de gasten geld voor het dansen. Wij gingen helemaal voorin zitten. Thuis werd ons gezegd, wat je gegeven wordt moet je eten. Geen vieze gezichten trekken hoor. Nu, wij zaten en wij kregen die beschuit, helemaal boekoe. En daarnaast een soort witte softdrink uit Guyana, die volgens ons smaakte naar kakkerlak. Maar we hebben alles lekker gegeten en gedronken”. Van dit laatste moesten wij wel echt even lachen. Wat kinderen toch wel moeten doen. “Er was ook een bakkerij op Waterloo. Die was van de Duitser Bohm. Die heeft later zijn bakkerij naar Paramaribo overgebracht aan de Watermolenstraat”. Tante vraagt mij of ik die bakkerij gekend heb. Ik zeg van nee. Zij geeft als antwoord dat zij echt ziet dat ik niet van Paramaribo ben. Maar ze vergeet dat ik pas 52 jaar ben en zij 92. Ik was te jong om die bakkerij in Paramaribo gekend te hebben.

Wij lachen dan weer om die kakkerlakken en die boekoe beschuit… Tante zegt bescheiden dat de dingen die zij heeft kunnen vertellen, de herinneringen van haar jeugd zijn. Maar ik ben dankbaar die te mogen horen en het zal mij verblijden te vernemen dat ook u lezer, ervan heeft genoten. Nickerie zal dankbaar zijn, dat een deel van de geschiedenis van de eens bloeiende plantages is blootgelegd. Hoewel Esseline Louise Gummels haar moeder op 11-jarige leeftijd te Hazard heeft verloren, heeft haar hardwerkende vader, zijn kinderen, haar toen groot gebracht en aan ons geschonken. Zijn leven is niet tevergeefs geweest, want van tante Esseline zullen wij nog meer horen . Met lof aan Louise Wilhelmina Gummels-Juda en George Nicolaas Gummels.

Louise Wilhelmina Gummels-Juda dl. 1

Donk en Dikland op Hazard

Het was op 16 november 2003, dat ik samen met Phillip Dikland tijdens onze speurtochten naar restanten van plantages in Suriname, in dit geval de plantage Hazard te Nickerie bezochten. Waren we verrast door het tegenkomen van de restanten van een beddensysteem waarop suikerriet gestaan heeft, van de suikerpersen, stoomketels, pontons e.d., tot onze grote verassing troffen wij een graf aan.Een ongeschonden graf met het opschrift: Louise Wilhelmina Gummels-Juda, 9 juli 1884 – 17 februari 1919, R.I.P.Wie is de persoon die daar begraven ligt? In Nickerie kon niemand ons dat zeggen, maar het antwoord kwam onverwacht toen ik in contact kwam met de 92-jarige tante S.

Op dinsdag 5 april 2005, meer dan een jaar na mijn bezoek aan Hazard, bezocht ik tante S. thuis, te Paramaribo Noord. Tante S, niet te verwarren met tante S van “Rayman is Laat”. Ik mag van tante S haar volledige naam niet vermelden en geen recente foto in de krant plaatsen, wat ik jammer vind. Wel eentje van 1926 in gezelschap van anderen als zij op een muilezel van de plantage zit, echter mag ik niet aangeven wie van de drie dames tante S is. Het was tegen 4.30 uur in de middag dat ik bij haar thuis aankwam. Ik werd vergezeld door mijn vrouw G.Donk-Bipat, wat achteraf een goede keus bleek te zijn. Het gesprek met de vriendelijke tante S., verliep daardoor zeer vlot, zij voelde zich op haar gemak en wij werden al gauw familie van elkaar. Had ik haar alleen bezocht; wij zouden beiden misschien wat terughoudend zijn geweest. Toen wij bij de poort stonden, kwam zij van achter de voordeur te voorschijn om ons te ontvangen. Zij wachtte mij al op, was keurig en in stijl gekleed en maakte een warme en lieve indruk. Nadat wij op haar balkon, tussen de vele planten plaats hadden genomen, ze heeft een keurige tuin, werd het ijs gebroken. Dit gebeurde door te praten over de familie Donk die zij van Nickerie kende, de relatie met de familie de Miranda, de link met de familie Abrahams en Duim en de relatie met het Jodendom. Maar uiteindelijk kwamen wij bij het moment, dat zij zou vertellen over het graf en de plantage Hazard waar zij voor een groot deel is opgebracht. Met haar voor een vrouw van boven de negentig nog heldere stem, begon zij: “ Mijn moeder is op de plantage Katwijk te Commewijne geboren. Mijn grootmoeder was een slavin en mijn grootvader de plantage-eigenaar, een jood. Mijn oma heette omdat zij een slavin was, Carolina. Tijdens de afschaffing van de slavernij, was zij al op Katwijk. Zij was toen 19 jaar oud. Toen werd haar naam veranderd in Judith Hardt, let wel met dt”, benadrukt tante. En ik dacht altijd dat die oude jood, een jonge zwarte vrouw als echtgenote had genomen. “Maar neen hoor, hij was net zes jaren ouder , dus 25 jaar. Het moest dus “ true love” zijn geweest, anders kan ik het niet verklaren”. Bij dit laatste moest tante even lachen en wij met haar ,omdat het zo spontaan en in het engels eruit kwam. Het gaf het geheel een leuk tintje. Soms zou je denken dat oude mensen oud en bekrompen zijn. Maar nee, onze tante logenstraft die gedachte. Op haar leeftijd denkt zij nog jong, fris , vrij en helder. Nadat wij bij gekomen zijn van de korte spontane onderbreking, het lachen, vervolgde zij:” Mijn grootvader heette Henrie Juda. Mijn moeder, Louise , groeide net als de andere kinderen van mijn grootouders niet op in Katwijk, maar werden opgevangen door de dames Lobato aan de Wagenwegstraat te Paramaribo. Er was een minister Lobato geweest ,waar ook de jongens Spence zijn opgegroeid”. Zij maakt hier de eerste link met Nickerie. De familie Spence is vooral van Nickerie bekend .” Mijn grootvader Juda is gestorven toen mijn moeder 11 jaar oud was. Op latere leeftijd heeft mijn moeder mijn vader, George Nicolaas Gummels, leren kennen toen hij opzichter was op de plantage Hazard in Nickerie. Toen hij mijn moeder trouwde is hij vandaar gegaan om te werken op de plantage Zoelen in Commewijne. Maar na mijn geboorte in de maand oktober, is hij terug gegaan naar de plantage Hazard, waar hij toen hoofdopzichter werd. Na mij kregen zij nog drie kinderen die allemaal op Hazard zijn geboren. De jongste, dat was heel typisch, moest geboren worden en daarvoor was de voedvrouw al vanaf Nw.Nickerie afgereisd. Dat gebeurde met de roeiboot en met het getij. Maar na ruim een week verblijf op de plantage kwam het kind niet. Dus de voedvrouw, ik dacht dat zij Boyte of Boyle moest heten, moest naar een feest of zo en vertrok. Zij had waarschijnlijk maar net Nw.Nickerie bereikt, toen het kind zich aanmeldde. Toen heeft de oppasser, mister George August Harte, de bevalling geleid en kreeg mijn broer als tweede naam de naam August. Mijn moeder is vijf maanden later gestorven aan Spaanse griep. Ik woonde toen al in de stad omdat ik naar school moest. Dat kon in Nw.Nickerie niet. Er was geen wegverbinding. Met de roeiboot duurde de tocht uren en je was zo als eerder gezegd, afhankelijk van het getij. Ik bleef dus in de stad waar mijn moeder bij dezelfde mensen in de stad is geweest, de familie Lobato. Maar elke vakantie gingen wij naar de plantage, daar was ons huis. Zes maanden na de dood van mijn moeder is mijn vader directeur geworden van de plantage Hazard door meneer Linch te vervangen. Dat was dus in 1919. Omstreeks 1930 werd hij overgeplaatst naar de plantage Waterloo die vlakbij Hazard ligt. De fabriek te Hazard werd gesloten en alle riet werd toen centraal op Waterloo gemalen. De plantages Hazard, Waterloo en Nursery kwamen in handen van dezelfde eigenaar. De suikerprijs ging die tijd erg omlaag”.

Plantage Hazard

Hier kwamen de pontons met de gekapte riet

De plantage, ik heb dat van Phillip Dikland begrepen, werd omstreeks 1821 in gebruik genomen. Hazard was in die tijd nog een koffieplantage en is later overgegaan tot het verbouwen van suikerriet. Over de eerste eigenaar van de plantage is niet veel bekend. In 1814, tijdens het Engelse tussenbestuur, was hij reeds in Suriname en legde een kostgrond aan de Nickerierivier aan. Niet Hazard, die heeft Herbert pas later verworven. Toen de latere eigenaar James Balfour in 1841 kwam te overlijden, kreeg zijn erfgenaam Robert Kirke de plantage voor lange tijd in bezit. Hij is het die de plantage omzette van koffieplantage naar suikerplantage. In 1859 was Hazard een moderne suikerplantage, voorzien van vacuümpannen en centrifugale toestellen. In 1880 schakelde Hazard evenals de plantage Waterloo over op contractarbeid. Tien jaren later werd de plantage Nursery aangekocht en de drie aaneengesloten plantages vormden feitelijk een groot bedrijf.In totaal werden 2187 Brits-Indische contractanten geworven ( 1880-1916) en 3033 Javanen (1901-1929).

Ten gevolge van de wereldcrisis van de dertiger jaren van de 20e eeuw kwamen de Surinaamse suikerondernemingen in ernstige problemen. In 1932 moest Hazard de deuren sluiten. Wat nog van de glorie van Hazard getuigt, is een park van oude bomen, waar vlakbij het plantagehuis heeft gestaan. De restanten van de stoommachine en van een suikerpers van 1906.

Tante S kan nog levendig vertellen hoe het leven op de plantage eruit zag. Het stemt prettig, nog uit de mond van deze nog in levenzijde bewoonster, de dingen van alle dag van de plantage te vernemen. In geniet daarom met volle teugen van haar verhaal als zij vertelt:” Mijn vader was zoals u weet directeur op de plantage geworden. Hij stond elke dag vroeg op, om op half zes in de morgen met alle opzichters en voorlieden bij elkaar te komen. Op de plantages had je vaak naast de directeurswoning een bijgebouw met een eigen trap en kantoor. Hij kwam daar met de mensen bijeen om over het werk van de dag te praten. Nadat het werk besproken was mochten deze opzichters en voorlieden even naar huis tegen half zeven, waarschijnlijk voor hun ontbijt. Om zeven uur ’s morgens, moesten zij dan op het werk verschijnen. Op de ruggen van muilezels gingen zij dan naar het veld. Mijn vader kwam tegen elf uur in de morgen thuis en begaf zich naar zijn kantoor voor het doen van schrijfwerk. Dat moest, omdat de eigenaren van de plantage in Schotland van dag tot dag geïnformeerd moesten worden over de gang van zaken op de plantage. Daarna ging hij weer in het veld om tegen vijf uur terug te keren. Op de zaterdag tegen een uur in de middag vond de uitbetaling van de contractarbeiders en andere werkers plaats. Tegen die tijd werd de bel van de plantage geluid, als teken dat het moment voor het uitbetalen was aangebroken. Op Hazard was het bij de fabriek.

Een keer per week kwam de dokter op de plantage om de zieken medisch te behandelen. Wie echt naar de dokter moest, die ging dan. Ik denk dat het telkens op de donderdag moest zijn geweest. Ook dan werd de bel geluid om aan te geven dat de dokter er was voor de zieken. De plantage had wel een eigen ziekenhuis waar een oppasser dienst deed. Het oude ziekenhuis heb ik niet gekend. Het nieuwe lag ten zuidoosten van de fabriek. De fundamenten van het ziekenhuis liggen er nog. Om de zes maanden werd er gemalen”. Ik onderbreek tante S even, omdat ik als kleine jongen op de plantage Marienburg had meegemaakt dat in de fabriek zo goed als dagelijks werd gemalen. Waarschijnlijk vanwege de grote arealen en beschikbare riet. Tante verzekerde mij dat het malen om de zes maanden op Hazard geschiedde vanwege de beschikbare hoeveelheid riet. “ Er werd wel continu gewerkt, de aanplanten aanleggen en verzorgen, maar er werd niet continu riet vermalen. Net als op de andere suikerplantages werd het veld, voor de rietkap aanving, in brand gestoken. Dit werd gedaan om het ongedierte, bijvoorbeeld de slangen uit het riet te verdrijven. Daarnaast verbrandde een groot deel van de stengels, waardoor de rietkap werd vergemakkelijkt. De velden in brand zien was een ware happening. Veel rookontwikkeling, veel as deeltjes van de stengels die ver de lucht ingingen en het knetterende geluid van het verbranden van de bladeren. Wanneer dat werd gedaan op de rietvelden de Waterloo, die lagen dichtbij Nw.Nickerie, moesten de bewoners van hun ramen sluiten om al het rondvliegend materiaal buiten het huis te houden. Op Hazard, Nursey en Waterloo had je speciale transportkanalen, waarlangs het riet, in kleine pontons voortgetrokken door muilezels, naar de fabriek werd getransporteerd. Op Marienburg had je een spoorsysteem met stoomtreintjes, maar dat was voor een kleine plantage te kostbaar. Op Hazard waren er genoeg muilezels. Een muilezel mocht een keer gaan en komen. Het beest ging dan naar de stal om te rusten, terwijl andere ezels naar het veld gingen, om de pontons met riet te halen. Een muilezel mocht maar vier pontons voorttrekken. Af en toe werd er een tractor ingezet voor dit werk. Maar dat werd niet vaak gedaan, omdat de damwanden van de kanalen werden beschadigd. Die trok dan acht pontons, niet meer, want dan slingerden de pontons van links naar rechts. Het malen van riet gebeurde ongeveer zes weken aaneen. Dan werd de fabriek met veel tam- tam gesloten. Zolang de fabriek werkte hadden wij elektrisch licht. Daarna moesten wij het doen met de cocolampoes. Waterloo had later wel een licht- motor. Die verschafte licht tot tien uur ’s avonds. Dan moest je weer overschakelen op de cocolampoe”. Tante S onderbreekt haar verhaal om mij te vragen wat ik nog meer wil weten. Natuurlijk wilde ik hangende aan haar lippen, alles weten. Ik vraag haar daarom het een en ander over de immigranten te vertellen, wat ze graag deed .” De hindostanen heb ik meegemaakt, maar niet hoe ze aankwamen op de plantage. Maar de javanen wel. Onder de hindostanen had je veel voorlieden. Sommige waren sluiswachters. Voor de fabriek, de panboilers,die waren allemaal Guyanesen van creoolse afkomst. Deze hadden veel ervaring m.b.t. de suikerproductie. Zij maakten ook de pontons. Ze kwamen o.a. uit Berbice. Ook nakomelingen van de slaven die uit de Engelse gebieden kwamen zouden er geweest moeten zijn. In het begin werd veel met de hand gedaan op Hazard. Het scheppen van suiker in zakken geschiedde ook met de hand. Het inladen en uitladen van de pontons gebeurde met de hand. Later kwamen er hijskranen op de plantages”. Tante geeft mij een beeld hoe de bewoning van de plantage eruit zou hebben gezien. Volgens haar komt wat de buitenkant betreft, de directeurswoning van de plantage Alliance overeen met die van Hazard.

Van de vele feesten die op de plantage werden gehouden, kan tante zich voor al de Tadjavieringen goed herinneren. “ Ze maakten een bouwsel van papier dat dan werd gedragen naar de rivier. Ze kwamen dan eerst bij ons thuis. Er werd flink gedanst. Mijn ouders moesten dan wat geld, een bijdrage geven. Het bouwsel werd daarna in de rivier te water gelaten”.

Van tante S verneem ik nog meer. Te veel voor een artikel. In een volgend artikel zal ik u meer over de plantages Hazard en Waterloo vertellen, zoals ik die van haar heb gekregen. Haar verhaal is boeiend. Van de staf van de Plantage Waterloo en Hazard gaf ze mij een foto met 19 heren daarop, van wie zij nog alle namen kent. Hoewel mevrouw Louise Wilhelmina Gummels-Juda vroeg is gestorven, mogen wij blij zijn dat tante S nog in ons midden is.

K.R.Donk, 25 april 2005

Huize Maybell King

Het is zaterdag 9 oktober 2004, drie uur in de namiddag als ik het erf van

Huis Annastraat no.20

de familie Lewis aan de Waterloostraat te Nw.Nickerie betreed. Op het erf zit hij, Wreford Thomas Magdoul Lewis, onder de sapotilleboom al op mij volgens afspraak te wachten, om te praten over het monumentale gebouw aan de Annastraat nummer 20, waarin moeder King heeft gewoond. Dat de nu tachtigjarige Lewis mij daarbij een groot deel van zijn levensverhaal zou vertellen, kon ik niet vermoeden. Een verhaal die diepe emoties zou doen losmaken, een hartverscheurend verhaal van arbeiden, liefde, ware genegenheid, van eenzaamheid, pijn , verdriet en tranen…

Cornelia Brown-Lewis

Hoewel de zon nog hoog staat en het in principe erg warm moet zijn, gaat er een aangename koelte uit van het erf. Wanneer ik de oude heer Lewis begroet, besef ik dat de koelte wordt gebracht door de vele vruchtbomen op het erf, die de indringende werking van de zonnewarmte sterk terug brengen tot een aangenaam niveau.De ongeveer zestigjarige sapotilleboom waaronder wij plaats nemen, is door hem op verzoek van zijn moeder op deze plaats geplant. “ Het plantje hebben we toen gekregen van de dochter van mevrouw Roberts, Lotje genaamd. Zij woonden op de hoek van de Doergasawstraat en de Wilhelminastraat, waar nu een restaurant staat.Het erf waarop we nu zijn, strekt zich naar achteren toe in westelijke richting tot de Annastraat. Daar stond vroeger het huis van mijn moeder, Cornelia Brown – Lewis. In dat huis ben ik geboren. Schuin tegenover ons huis stond toen al het grote huis dat werd bewoond door Maybell King, meer bekend als moeder King. Ik ben dus aan de Annatraat opgegroeid. Mijn vader was afkomstig van Guyana van de plaats Manchester, hij was vanwege de ballatawinning in Nickerie beland. Vele Guyanesen kwamen toen naar Nickerie om in de bossen de toen veel gevraagde boomrubber te winnen. Als kleine jongen had ik wel een lekker leven, maar moest toch wel mijn handen uit de mouw steken. Op een dag verliet mijn vader mijn moeder voor een andere vrouw. Toen hij na een periode terugkeerde weigerde mijn moeder hem, ze zei hem: “ Neen ik wil niet meer, eenmaal het zo is, laat het zo blijven”. Als alleenstaande ,hardwerkende vrouw heeft mijn moeder mij en mijn broer en zusters, vijf kinderen, opgebracht. Mijn moeder was bekend om het maken van drankjes tegen o.a. leverziekte. Mijn moeders huis was altijd vol met mensen die kwamen voor de drankjes. Ze werden zelf door de arts, zoals dokter Miranda naar haar verwezen. Ze maakte daarnaast koekjes en cacaostaafjes die ze aan de mensen verkocht. Maar elke dag stond ik al om half vier in de ochtend op, om water te halen uit de waterputten van Nw.Nickerie. Een stond waar nu het EBS-kantoor staat aan de West-Kanaalstraat en een stond op de hoek Gouverneurstraat en de Emmastraat waar we nu verkeerslichten hebben. Voordat ik naar school ging moest ik ook nog koekjes en cacao leveren. Ook na school moest ik producten leveren, want mijn moeder maakte ook bojo van cassave. Zo onderhield mijn moeder het gezin”.

Arbeiden, ziekte en gemis

W.Th.M.Lewis

Terwijl meneer Lewis zijn verhaal vertelt spelen drie kleinkinderen op het erf. Met hun fietsen rijden ze het erf af en aan. Ook zij genieten van het boomrijke erf. Dit laat terug denken aan de grote erven van Paramaribo, waarop de jeugd van toen, ook onder grote schaduwbrengende vruchtbomen, met allerlei spelen alleen of in groepsverband bezig kon zijn. De kinderen gaan hun gang en Wreford Lewis vertelt over zijn eerste jaren als arbeider, beginnende bij de zaagmolen van Ho-A-Sjoe aan de G.G. Maynardstraat waar hij werkte onder John Hewitt die was getrouwd met een Matadin. Dan de jaren toen hij een vak wilde leren, wat hij deed bij de botenmaker Mac-Donald . Dan de jaren bij het ministerie van O.W.Door baas Spuis werd hij O.W. binnengehaald. Met de hollander baas Smith werd gewerkt aan de bouw van de zeedijk. Toen echter werd gestart met de aanleg van de polders via het Welvaartsfonds in 1949, veranderde zijn werkgebied. De oudere mannen als Adamson en Brown bleven. Jonge sterke mannen moesten de gebieden inpolderen, die geschikt maken voor de rijstteelt. De Nannizwamp en -kreek zouden genoeg irrigatiewater leveren, waardoor twee oogsten per jaar mogelijk zouden zijn. Hierdoor zou Nickerie de rijstschuur van ons land worden. Via de zogenaamde Kaolondam werd het gebied rond de Clarapolder ingepolderd, gevolgd door de Nannipolder. Via het van Wouwkanaal werden de graafmachines naar de gronden van de landbouwer Maipat gebracht, daar in het gebied van Prins Bernhardpolder, waar werd aangevangen met het inpolderen van de Henarpolder.Het is opmerkelijk dat Lewis nog al de namen van al de grote bazen van toen zo goed kan noemen. Namen als van der Veen, Ferrier, Thijm, Neerpoort, Sanders en Lunshof.Dan komt de korte periode te Beekhuizen in Paramaribo.Met enkele medearbeiders van Nickerie, zoals Sulvion Bang A Foe, Nol Emanuels, Birtan Best werd hij overgeplaatst voor de asfaltering van de Oost-West verbinding nabij de Tweede Rijweg.Lewis raakte toen ziek. Hij kwam toen in behandeling van de populaire dokter Mac-donald die bij een aanrijding kwam te overlijden, wat een schokgolf in Paramaribo teweeg bracht. Met geduld volg ik het levensverhaal van Lewis. Hij had jaren last van een maagzweer. Vele namen van artsen die hem gedurende vele jaren behandelden worden genoemd. Ensberg,Mungra, Rambocus. Vooral dokter Jairam zal hij niet vergeten, hij is het, die hem uiteindelijk verloste van de maagzweer. Dan de periode van pijn in zijn onderbuik. Weer vele artsen en uiteindelijk de neuroloog uit Cuba Reonda Sanchez, die een steen zo groot als een ei uit zij urineleider haalde. De ondersteuning van zijn lieve vrouw, Cornelia Lorette Lewis-Darius, al de jaren is hartverwarmend. Een vrouw met wie hij 54 jaar heeft geleefd.Hij vertelt:” Mijn vrouw en ik maakten nooit ruzie.Soms konden wij het oneens zijn met elkaar, maar nooit is er stemverheffing geweest. Zonder klagen heeft ze mij jaren lang, tijdens mijn zieke periode verzorgd. Toen mijn zoon als militair te Albina kwam te overlijden, was ze mijn troost. Mijn vrouw was zacht van aard een heel lieve vrouw”. Met tranen in zijn ogen vertelt de tachtig jarige Lewis het verhaal van zijn vrouw. Enkele maanden terug vroeg ze hem nog of hij een ander vrouw zou nemen als ze kwam te overlijden. “ Ik wist niet dat ze er na twee weken niet meer zou zijn. Ze leed aan hoge bloeddruk en suiker. Ze raakte in coma en na drie dagen was ze dood. Ik word straks jarig, mijn kinderen willen wat voor mij doen. Maar zonder mijn vrouw wil ik niets. Eigenlijk wil ik niet meer in dit leven blijven. Het leven betekent niets meer voor mij. Ik mis haar zeer… ik wil niet meer leven…”. Onder de sapotilleboom laten vier tranende ogen zich drogen terwijl bemoedigende woorden troost proberen te brengen.

L.H.Wix

Maar we mogen blij zijn dat Lewis er nog is. Over het huis van moeder King vertelt hij: “ Ik ben vlakbij opgegroeid maar ben het huis komen aantreffen.Wie het gebouwd heeft weet ik niet. Tegenover ons erf aan de Annastraat had je het erf van Codrinton en daarnaast van Hewitt mijn peet.Na school moest ik altijd bij haar gaan. De vruchtenbomen op haar erf beheerste ik sinds toen. Naast woonde moeder King. Ook de vruchtenbomen bij haar werden door mij beheerd. Grote roodborsjebomen en andere vruchtbomen. In het verlengde van de erven Codrington en Hewitt had je de erven van L.H.Wix, komende uit op de L.H.Wixstraat. Hij was een respectabele man. Maar overdag zag je hem nauwelijks. Hij was altijd boven in zijn huis, waar je hem vaak tussen de ramen naar beneden kijkende, kon waarnemen. Hij bezat een groot huis. Eigenlijk twee woningen, een voor, een achter die met een gesloten gang hoog boven de grond met elkaar waren verbonden. Zo kon hij van het ene huis naar het andere gaan zonder gezien te worden. En dan stonden nog de woningen van de arbeiders. Een zekere Frederik Mac-Donald was baas van de arbeiders. Wix beheerste de ballatawinning in Nickerie volledig. De achtererven waren begrensd met grote manja- en pommerakbomen waarin wij jongens elke middag klommen. We keken dan op zijn erf hoe de mannen en vrouwen werkten aan de ballata, die vanuit de bossen werd aangevoerd en gereed werd gemaakt voor de export. En soms konden we dan plotseling meneer Wix zien aankomen, wanneer hij langs de schutting van zijn achtererf, via een poort doorliep op het achtererf van zijn geliefde Maybell King.Hij was een lieve, vriendelijk en beschaafde korte blanke man. Hij wuifde dan altijd naar ons in de bomen. Met zijn eerste vrouw die ik niet ken had hij kinderen, o.a. de arts aan de G.G.Maynardstraat en de tandarst aan de Gouverneurstraat. Een andere zoon was belast met de Emmawinkel. Met Maybell King kreeg hij o.a. vrouw Lena, vrouw Melie die getrouwd is met Kaersenhout die het grote huis tot voor kort nog bewoonde. Toen hij vele jaren terug met Melie uit Curacao keerde is moeder King in een klein huis naast op de hoek gaan wonen, waar nu een restaurent staat.Meneer Wix was een gezagvolle man. Hij had een vriendenkring met wie hij ’s avonds optrok. Nogmaals, overdag zag je hem nauwelijks. Hij had een motorboot de Carolina die de grote lange roeiboten met arbeiders de rivier op, sleepte. Was dat gebeurt, dan kwam de Carolina terug.Mijn vader had zich opgewerkt tot een voorman van Wix. Hij haalde voor hem arbeiders uit Guyana. Het was feest wanneer de arbeiders tijdens de regentijden het bos introkken en wanneer ze terugkwamen. Wix had zij eigen steiger waar het altijd een drukte was, als het seizoen voor de ballatawinning was aangebroken. De steiger lag aan de rivier achter de kruising waar de L.H.Wixstraat uitkomt op de G.G.Maynardstraat. Je zag daar allerlei mensen, ook de indianen uit het bos. Er was een lange loods en je kon de arbeiders in hangmatten zien liggen. De mooie jaren dertig van de vorige eeuw. Er was geld te verdienen. Het leven was goed, men wist met elkaar te leven. Naast Wix deed ook een zekere Redman aan ballata-export,maar hij was minder invloedrijk. Tijdens kerstijd had je optredens van cultuurgroepen, de maskerade, die langs de wegen optraden. Wanneer die het huis van Wix bereikte, gingen zij het erf op en bleven dan uren daar feesten en dansen. Maar hem zag je zelf niet feesten. Wel gooide hij telkens vanuit het raam van zijn huis, pakketten naar beneden.

Het huis van Maybell King

Deur in de woonkamer

Over het huis van moeder King kan Lewis niet veel vertellen. Meneer Kaersenhoutwordt verpleegd in Paramaribo en het huis wordt voorlopig bewoond door de familie Tjokrowidjojo. De dochters van moeder King, zijn inmiddels overleden. Als een van de grootste en hoogste huizen toen in Nickerie, kon je heel Nw.Nickerie, die was toen veel kleiner, overzien. Naar het oosten toe kon de suikerplantage Waterloo overzien worden, waar de rietvelden al bij de Waterloostraat begonnen, waar nu het woonhuis van Lewis staat. Zowel Wix als moeder King hebben zeker vaker, van een mooie panorama kunnen genieten, wanner zij vanuit hun ramen Nickerie bezagen. Met de hulp van architect Phillip Dikland wordt u het huis van Maybell King gepresenteerd: Het bestaat uit de begane grond, bestaande uit een voorkamer, een slaapkamer, de achtergalerij met daar achter de keuken bad en toilet. Een paneeldeur in de voorkamer heeft een ellipsvormige boeg en is verder versierd met kapitelen en een ornament dat doet denken aan een sluitsteen.De andere is versierd met een ornamentplaat .Op de eerste etage hebben we min of meer de zelfde indeling als de begane grond. Ook hier de vormgeving boven de deuren ( architrafen), ornamentplaten, die aan de Griekse bouwkunst doen denken. Er zijn daarnaast dubbele ventilatiestroken boven de deuren en de rest van de wand aangebracht. De trappen ( een-kwart) die leiden naar de eerste en tweede etage (daketage) hebben een fraaie leuning met gietijzeren ballustertjes. De veranda aan de straatzijde is gesloten en is voorzien van ramen. De beplanking onder de zinkplaten houdt de warmte tegen.De daketage heeft vier kleine kamers. Duidelijk is net als bij de veranda de beplanking bij de dakkamers te zien.Bekijken we het huis van buiten, dan vallen de Demerarawindows op. Daarnaast zijn er ook de normale houten schoepraampjes. Zowel de grote glasruiten bij de vensterlagen als de gietijzerenballustertjes bij de trappen, verraden de eind 19e eeuwse bouwkunst.De binnentrap Waren de glasruiten kleiner, dan zou dat een oudere datering opleveren. Sierstrookjes aan de wand op de eerste etage, dit voor de ventilatie, verwijzen ook naar eind 19e eeuw. De schoepraampjes zijn in combinatie met bovenlichten ( kleine glasraampjes) aangebracht.De balken die de gesloten veranda buiten ondersteunen hebben sierconsolen.Het huis waarin in moeder King heeft gewoond en het huis waarin L.H.Wix, zijn geliefde kon beminnen, is een sieraad voor Nickerie. Zullen wie het niet behouden? Ook het stukje historie wat het in zich draagt moeten wij koesteren. Met dank aan Wreford Lewis en Phillip Dikland.

K.R.Donk, 21 oktober ’04

Professor Mr.A.J.A. Quintus Bosz

 

Aankomst Perica in Nickerie

Op vrijdag 21 april jl. had ik de eer een gesprek te hebben met mevrouw D.Quintus Bosz-Sharma, de weduwe van Aksel Johann Albrecht Quintus Bosz. Was het eigenlijk begonnen om zijn verrichtingen als districts-commissaris van Nickerie te vernemen en vast te leggen, het bijzondere laat zich niet beperken als zij moeiteloos vertelt. Schoonheid, eerlijkheid, oprechtheid, kennis en liefde vonden elkaar op een niet te voorspellen wijze. Als zij beetje bij beetje het verhaal van Aksel en haar laat herleven, ervaar ik deelgenoot te zijn, van een boeiend levensverhaal.

Hij was smoorverliefd

Aksel en Djanakdee Quintus Bosz

Djanakdee Sharma, geboren op 17 oktober 1931 te district Saramacca, had nooit kunnen vermoeden dat zij ooit de districts- commissaris van Nickerie, Quintus Bosz, zou huwen. Als dochter van een hindoe priester, een brahmaan, was ze religieus, doch eenvoudig opgevoed. Thuis had ze net als haar ouders uit de koperen thali en lotha leren eten en drinken, waren er vaste tijden en regels, voor de dagelijkse handelingen van het levensgebeuren. Als enig kind van Narbada Persad Sharma, geboren op 19 december 1895 en zijn vrouw Ramrati Dasrath, beide uit Brits-Indië, werden haar vele hoge waarden en normen van het leven bijgebracht. Ruim voldoende om in haar latere leven de weelde te kunnen dragen, te kunnen participeren in de sociale en maatschappelijke toplaag van de maatschappij, waar ze zou komen te verkeren.

Djanakdee Quintus Bosz-Sharma

Op het balkon van haar mooie woning, vertelt zij haar verhaal: ” Het is in het jaar 1952, als ik Nickerie aankom voor doorreis naar Guyana, waar ik met een muziekgezelschap voor een chautaaloptreden moest zijn. Aanvankelijk was de muziekgroep met de “Binnendoor” vanaf het Saramaccakanaal, zonder mij, richting Nickerie vertrokken. Het lukte mij die dag nog een paspoort te krijgen. Vroeg genoeg om tegen 6 uur namiddag op de “Perica” te stappen, om de reis naar Nickerie via de zee te maken. Toen de groep in Nickerie aankwam konden zij hun ogen niet geloven, toen zij mij op de steiger zagen. Na onze optredens in Guyana, bleef ik in Nickerie achter. Ik wilde vroedvrouw worden en trok in bij vroedvrouw Milzinck van wie ik het werk zou leren. Ik bleef vervolgens voor twee jaren in de leer bij de zeer bekende vroedvrouw zuster Lowe. Ik trad daarna in dienst van het Witte Kruis en werkte 1 jaar voor de organisatie. Mijn manier van werken ontging de mensen van het ziekenhuis te Margarethenburg niet. Zuster Herdigein stelde de directeur van het ziekenhuis dokter Treurniet voor, mij naar Nederland te sturen voor een verpleegstersopleiding. Voor afhandeling van mijn paspoort moest ik naar de districts-commissaris. Inmiddels lag de leiding van het district in handen van Quintus Bosz. Ik wist niet, dat hij smoorverliefd op mij was. Toen ik tegenover hem zat, met alle respect niets vermoedende, vroeg hij mij wat ik in Nederland ging doen. Ik zei hem dat ik verpleegster wilde worden en daarvoor ging studeren. Daarna zou ik werken, sparen en een wereldreis maken. Hij zei tegen mij: “ maar als ik jou een wereldreis aanbied, zou je willen blijven”. Ik gaf als antwoord dat ik eerst verpleegster wilde worden, dus zou gaan. Toen zij hij dat hij mij als vrouw wilde, als ik instemde zou hij mij na ons huwelijk een wereldreis aanbieden. Tot op dat moment had ik zelf geen andere intentie dan te gaan studeren en nam hem niet direct serieus. Maar hij was echt verliefd op mij. Toen hij later van iemand op het commissariaat die mij kende vernam, dat ik een afscheid feest zou hebben, vroeg hij mij om een uitnodiging. Het was werkelijk een eer, de commissaris op mijn feest te hebben. Ik vertrok daarna naar Nederland en had acht maanden geen contact met hem. Bij toeval ontmoette ik hem voor een reisbureau in Amsterdam. Hij was op doorreis naar Italië. Ik was op weg naar het ziekenhuis voor mijn werk, toen ik hem uit een toeristenbus, die stond voor een reisbureau, zag stappen. Ik stopte, hij zag en herkende mij en liep hij naar mij toe… mijn fiets viel uit mijn hand. We waren blij elkaar te zien. Werkelijk, wat voor jou bestemd is, kan niemand je ontnemen. Hij vertrok naar Italië, keerde terug naar Suriname, maar wij bleven in contact met elkaar. In augustus 1959 studeerde ik af en keerde in december terug naar Suriname. Op 18 februari 1960 trouwden wij met elkaar in Paramaribo, waar hij inmiddels, als commissaris was aangesteld. Mijn vader was reeds overleden en aanvankelijk mocht ik van mijn vaders broer niet met Aksel trouwen ,omdat hij geen hindostaan was. Mijn vader was priester en ik zou hem geen eer aandoen, vond hij. Maar mijn moeder verleende haar medewerking, zij tekende de huwelijksakte, ik was toen 29 jaar. Mijn man was een lieve zorgzame man. Je kon in alles op hem vertouwen. Hij was punctueel en oprecht. Voor de zaak van de rechtvaardigheid, kon hij zijn leven geven”.

Een zegen van God

De commissaris van de bloemen, zoals hij in Nickerie bekend stond, was eerder getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw met wie hij drie zonen en een dochter had, was overleden. Ook Djanakdee was eerder getrouwd geweest. Zij trouwde toen zij 16 jaar was, kreeg een kind, maar verloor haar man al na een jaar. Na 14 jaren begon zij een nieuw huwelijks- leven. Met elkaar zouden zij vele vreugde volle jaren beleven.

Als ik haar vraag over de loopbaan van haar man te vertellen, vertelt zij bescheiden doch enthousiast het volgend: “ Mijn man is geboren op 25 april 1915 te Pasoeroean op Java in Indonesië . Hij had een Deense moeder en Nederlandse vader. Op 22 jarige leeftijd voltooide hij de opleiding aan de Hogere Landbouwschool voor de Tropen in Deventer. In 1947 en 1954 behaalde hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht zijn meestertitels voor Indisch, respectievelijk Nederlands recht met het judicium, cum laude.

Hij was inmiddels 1ste Luitenant geweest bij het K.N.I.L. en Kapitein bij het K.L. die hem in 1949 detacheerde naar Suriname. Hij kreeg eervol ontslag van het leger in 1958 en trad in overheidsdienst waar hij vele hoge functies bekleedde. Sinds 1955 was hij buitengewoon docent aan de Surinaamse Rechtschool. Daarna doceerde hij aan de Antom

de Kom Universiteit van Suriname, waar hij in de functie kwam van Rector Magnificus. Bekend is zijn standaardwerk: Drie eeuwen Grondpolitiek in Suriname. Dit werk dat nog steeds op de universiteit wordt gebruikt wordt binnenkort herdrukt. In de jaren zestig en zeventig was hij lid van de Staten van Suriname. Daarnaast heeft hij een 11 tal missies uitgevoerd voor de F.A.O., O.A.S., I.D.B. en de Wereldbank”.

Ik sta verstelt van de bijdrage dat Professor Mr. A.J.A. Quintus Bosz, ook bekend als QB, aan Suriname heeft geleverd. Niet hier geboren, Surinamer geworden, voor dit mooie land gekozen, zijn krachten en leven heeft gegeven. In Nickerie betrokken bij de aanleg van de Henarpolder, een van de mooiste polders van het district. De aanleg van plantsoenen, het keurig houden van irrigatiewegen, kanalen, wegen en straten is de Nickerianen bij gebleven. Als ik mevrouw Quintus Bosz vraag hoe zij zich voelde de vrouw van zo’n belangrijke man te zijn zegt zij:” Het is een zegen van God. Voor mij is iedereen gelijk. In Japan mocht ik hetzelfde bed slapen waarin prinses Beatrix had geslapen”. Bij het huwelijk van Djanakdee en Aksel, hadden zij als getuige de bekende schrijver Lou Lichtveld, Albert Helman. Zij zelf is een zeer bijzondere vrouw. Op sociaal en maatschappelijk gebeid nog steeds actief in Suriname. Ook op cultureel gebied. Zo heeft zij opgetreden als hoofdrolspeelster in het toneelstuk “ Is zij schuldig”. Opgevoerd in 1962 voor de prinsessen Irene en Margriet. Ontdekt door schrijver en Hindi leraar Baboe Mahatamsingh, trad ze op in de toneelstukken Soenderas en Wahre Paisa en de film Land van Rama. Over haar zal bij Vaco binnenkort een boek worden uitgeven.

In 1962 was zij betrokken geweest bij het comité: Anti onafhankelijkheid nu. Zij vertelt:” Met o.a. de vrouwen Mitrasingh, Kanhai, Poetcher en Kalender had ik een groep gevormd die een betoging zou organiseren tegen de onafhankelijkheid. Pengel zou die met ondersteuning van Lachmon, bewerkstelligen. Pengel was daarvoor voor besprekingen in Nederland. Het comité had inmiddels een vergunning gekregen van de districts-commissaris van Paramaribo Quintus Bosz. De minister-president Emanuels had de commissaris daarvoor ontboden en gezegd de vergunning niet te verlenen, daar de betoging tegen de wensen van de regering zou zijn. Hij verbood de commissaris echter niet, die handelde naar eigen inzichten en gaf de vergunning. Een dag daarna, nog voor de betoging, werd Quintus Bosz ontheven uit zijn functie”. Uit het totale verhaal van Djanakdee blijkt dat Lachmon er alles aan gedaan had de dames tot andere gedachten te brengen, de betoging niet te houden. Zelfs voor intimidatie, schroomde hij niet. De dames boden hem aan tegen de onafhankelijkheid te betogen, maar hij wilde dat niet, want het paste hem toen, Pengel te steunen. Duizenden mensen betoogden toen tegen “de onafhankelijkheid nu”. De betoging was een groot succes. Quintus Bosz werd in ere hersteld en benoemd tot hoofdcommissaris.

“Toen mijn man”, vertelt Djanakdee verder, “statenlid was tijdens de PNP regering en niet mee wilde werken in de partij, dat partijleden zich grote stukken grond zouden toe-eigenen, moest hij een eigen fractie vormen. Hij werd een jaar lang ontheven als docent aan de universiteit. Hij bracht de staat voor het gerecht en won de zaak. Een jaar salaris moest hem worden uitbetaald. Wij maakten daarna onze wereldreis. Vele landen werden bezocht, India tot drie maal toe”. Aksel had zijn woord gehouden, in zijn werk had hij het goede voorbeeld gegeven. Hij was een bijzondere man, bijgestaan door een unieke vrouw. Is het niet jammer dat niets in Nickerie, naar deze bijzondere commissaris van de bloemen is genoemd? …Het is daarvoor nog niet te laat.

K.R.Donk, 28 april 2006.