Tag Archives: Nickerie

Tarmidin-Kartodikromo Semi, vergeten oorlogsweduwe

Tarmidin-Kartodikromo Semi, vergeten oorlogsweduwe, armoede en miskenning

Semi-Tarmidin Kartodikromo, met pleegdochter Annie, kind en kleinkinderen

Op 12 augustus 1921 geboren op de plantage Waterloo in Nickerie, wordt ze in augustus van dit jaar 88 jaar. Haar hart bonst nog steeds ritmen van verdriet, als ze terug denkt aan het moment, dat haar man naar Australiё vertrekt. Onder de Nederlandse vlag gaf hij in de Tweede Wereldoorlog zijn leven voor vrede en een betere wereld. Het is al ruim 66 jaar dat deze weduwe door het nu rijke en ontwikkelde Nederland vergeten is. Het verhaal van Semi, een aanklacht, of haar laatste beroep op de Nederlandse overheid? Nog een korte tijd, dan zal ze weer bij Tarmidin zijn.

Tarmidin in legeruniform, Semi(midden) en haar zus

Het is per “toeval” dat ik in contact wordt gebracht met Semi Tarmidin- Kartodikromo. Soewartie Soediredjo werkzaam bij Adek doet mij het verzoek, voor haar na te gaan, in welke oorlog Tarmidin is gesneuveld. De vrouw van de gesneuvelde soldaat Tarmidin, woont aan de Emmastraat nummer 41 te Nieuw Nickerie. Als ik tot Semi wordt toegelaten, barst de bejaarde vrouw van intens verdriet, al heel gauw in tranen uit, als ze aan haar man wordt herinnerd. Nog goed bij verstand, doch moeilijk ter been, is ze totaal vergeten door een machtige Nederlandse overheid, onder wiens vlag via de Troepenmacht in Suriname de Tris, haar geliefde heeft gestreden. Is er gekozen voor regels en procedures, in plaats van gerechtigheid, liefde, eerlijkheid, waarheid en gelijkheid? Krijgen de weduwen van de gesneuvelde militairen van dezelfde oorlog, in Nederland woonachtig geen steun? Semi, die niet kan lezen en schrijven, stond en staat machteloos om voor haar rechten op te staan. Ze kan na vele jaren niet krijgen waarop zij aanspraak maakt, een uitkering als oorlogsweduwe. Zij krijgt van Nederland geen cent ondersteuning. Zou zij niet tenminste voor de jaren vanaf de oorlog tot de onafhankelijkheid niet financieel ondersteun moeten zijn? Vanaf haar geboorte tot de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 had ze de Nederlandse nationaliteit. Moest de onafhankelijkheid, voor haar een onbegrijpelijk gebeuren, voor haar een groot onrecht gaan betekenen? De situatie: Een rijke Nederlandse overheid die mensen als Semi vergeet en miskent, terwijl de Surinaamse politici zich hun handen vol hebben met hun etnische politiekvoering en de onderlinge verdeling van staatsrijkdommen. Van de Surinaamse overheid krijgt Semi nu omgerekend ongeveer 150 Euro, aan onderstand en AOV samen. Als ik Semi in deze toestand van wanhoop, eenzaamheid en verdriet ontmoet, breekt iets in mij. Ik vraag haar, haar tranen te drogen en de foto van haar en haar man in militairtenue met eer weg te leggen. Ik beloof haar, haar verhaal wereldkundig te maken, zodat een ieder die dit artikel leest mag oordelen. Ik spreek daarbij de innige hoop uit, dat de Nederlandse overheid en de daarbij bevoegde instantie, met spoed de zaak van Semi heronderzoekt, zodat ze alsnog ontvangt, waarop zij aanspraak maakt. Ik maak daarom contact met Fred van Russel, de voorzitter van de Federatie van Oud-strijders en Ex-militairen, die trots zijn hoge leeftijd opkomt voor hun rechten.

Huil niet je zal geld en eten krijgen

Op zaterdag 28 februari 2009 ontmoet ik Semi na een week opnieuw. Voor de afspraak van 5.oo uur n.m. had zij zich al om 3.00 uur n.m. laten aankleden. In de koelte van het achterbalkon, vertelt zij emotioneel haar verhaal:” Mijn vader, Jethe Kartodikromo en mijn moeder Kromojadi Soepina, werkten als contractarbeiders op de plantage Waterloo. Al heel gauw heb ik hen bijgestaan met werken, het wieden van gras en het rietkappen. Wij verdienden niet veel, soms hadden wij niet eens geld om zout te kopen, dan vroeg mijn moeder de buurvrouw wat. Vijf koppen rijst kostten 0,25 cent, maar dat was soms niet te betalen. Toen ik 14 jaar was trouwde mijn ouders mij op moslim wijze met Tarmidin, die 19 moest zijn. Tijdelijk ben ik toen in de van Drimmelenpolder bij mijn schoonmoeder gaan inwonen. Daarna vertrok ik met mijn man naar het district Commewijne, waar wij op de suikerplantage Mariёnburg en de koffieplantage Slootwijk hebben gewerkt. Ik was bediende en verdiende 15 gulden per maand en mijn man was rietkapper. Ik werkte op Mariёnburg van zeven uur ’s morgens tot twee uur n.m. bij een welgestelde blankengezin. Broden beleggen, pap klaarmaken, het huis schoonhouden, voor de kinderen zorgen enz. Van vijf uur n.m. tot acht uur ’s avonds, ging ik terug voor o.a. het klaarmaken van het avondeten. Tussen twee uur en vijf uur in de middag was ik strijkvrouw voor de mensen van de buurt. Ik verdiende daarbij 0,50 centen voor een was en strijken. Het strijken gebeurde met de oude strijkijzers van ijzer , die op houtskool werden gelegd. Op slootwijk was ik koffieplukker. Ik moest op trappen klimmen om de koffiebonen van de bomen te plukken. Voor elke honderd kilo geplukte koffiebonen kreeg ik 0,70 centen. Ik droeg net als de andere vrouwen lappenkleren, mijn doti pouda. Die werden dagelijks gewassen en achter de tjoela, bij houtvuur, te drogen gelegd. Waren ze niet helemaal droog, ik droeg ze toch de volgende dag. Je moest produceren, zo kreeg mijn moeder een week straf, omdat ze in een week, minder dan 5 gulden had verdiend. Op een dag vertrok mijn man naar de plaats Bigi Lasia nabij Paranam. Daar werkte hij als timmerman. Een dag kwam hij thuis en vertelde mij, dat hij had getekend om in het leger te treden. Hij ging vervolgens naar Bos Bivak achter Zanderij om tot geoefend soldaat getraind te worden. Net als andere vrouwen, mocht ik hem op de zondag bezoeken zolang hij daar in training was. Op gezag van het leger, ben ik toen met hem wettelijk getrouwd. Dat werd verplicht gesteld. Het was een dag tegen vijf uur in de ochtend, dat mijn vriendin op de deur van het huis bonsde, om mij te wekken. De boot met militairen was op vertrek. Ik haastte mij naar de kade aan de Surinamerivier, maar toen ik aankwam, was de boot al midden op de rivier. Ik had mijn Tarmidin, niet eens nog voor het laatst kunnen vasthouden of kussen als afscheid; ik zou hem nooit meer terug zien”. Huilend vertelt de 87 jaren oude vrouw mij met moeite nu, dat een hooggeplaatste blanke militair haar nog trachtte te troosten met de woorden:” Je zal geld en eten krijgen. Later mag je kiezen om in Suriname of Nederland te blijven”. De tegemoetkoming die Semi toen van de Tris kreeg , bedroeg 3,50 gulden per maand.

Duizenden jasmijnbloemen

Soldaat Tarmidin keerde nooit meer terug. Voor de mensheid sneuvelde hij als Autraliёganger. Hoe en waar dat gebeurde, is aan Semi nooit verteld. Gebeurde het door een kogel of een scherpe banjonet van de vijand? Gebeurde het vanuit een hinderlaag, of in het heetst van een open strijd? ” Een scherpe pijn verscheurt het lichaam van Tarmidin. Als hij achterover valt ziet hij nog de kruitdampen plaats maken voor de zachte rookwolken die schijnen te komen uit de hoge schoorsteen van de fabriek van de plantage Waterloo. De rook verspreidt niet de scherpe damp van die van daarnet, maar ruikt naar duizenden jasmijnbloemen die bij elkaar zijn gebracht. Het geluid van ratelende machinegeweren en explosies, hebben wonderlijk plaatsgemaakt voor het bekende geratel van de kettingen van de sleephelling, die het riet vanuit de pontons naar de rietpersen slepen. Tientallen pontons vol met schoon riet worden door sterke stieren voortgetrokken. De kanalen zijn vol helder water en op de keurige dammen schijnen leidinggevenden opdrachten te geven. Is het niet directeur Gomes, of zijn het niet Twang Sa, Twang Bron of Pickering? Maar het hart van Tarmidin gaat sneller kloppen, als hij niet ver van de directeurswoning, onder waringinboom, net als toen, Semi ziet staan. Wacht zij hem op, omdat het weer feest gaat zijn op de plantage? Een intense liefde en blijdschap blijken voor eeuwig hier te heersen…”. Semi sterft bijna van verdriet en vertrekt naar Coronie, waar zij 1 gulden verdient voor elke honderd kokosnoten die zij verzamelt. Als ze later in Nickerie terug is, kookt ze voor de welgestelde blanken en top ingezetenen, leden van de elite vereniging Bikini. Ze blijft kinderloos. Met haar spaargeld koopt ze een erf aan de Emmastraat te Nieuw Nickerie. Gelukkig kijken nu haar kweekdochter Annie en haar man Soerodikromo naar haar om.

K.R.Donk, 8 maart 2009.

Ramautar Bipat, de laatste karreman van Nickerie

Ramautar Bipat, de laatste karrenman van Nickerie

Kar nabij hoek Gouverneur- en Emmastraat rond 1930

In het begin van de vorige eeuw tot zeker de jaren zestig, werd het vrachtverkeer op de wegen van Nickerie, voornamelijk onderhouden door ezelkarren en karren voortgetrokken door stieren. Met de komst van steeds meer vrachtwagens, nam het aantal van de karren op de weg af. Anno 2009 is Ramautar Bipat de laatste actieve karrenman in het rijstdistrict. Aan wat generaties lang een middel van bestaan is geweest, zal over enkele jaren een eind komen. Met Ramautar zal dan het beeld van de karrenman in Nickerie, volledig verdwijnen.

Shankar noemde hem Radja

Nandrai Bipat( uiterst links) met familie

Het begon allemaal met Ramotar de zoon van de Brits–Indische immigrant Deprajee 389/C en zijn vrouw Sookdea, die de dochter was Sankar 441/N en Malika 453/N. Ramotar had er niet voor gekozen om net als zijn ouders op de plantage te werken, maar begon een eigen bestaan. Om meer van Ramotar te weten te komen, praat ik met de kleinzoon, Nandrai Bipat, ook bekend als Ronald. Nandrai die geboren is op 28 augustus 1942, is getrouwd met Ladyawatie Bawanibik. Hijzelf is kleermaker van beroep. Hij vertelt mij het volgdende:” Ik ben de zoon van Sewpersad Willem, de zoon van Ramotar, mijn groot vader. Ramotar, ook wel Rampadarath genoemd, was landbouwer te voorland Waterloo. Daar verbouwde hij bananen en cassave en nog andere landbouwproducten. Ik kan me herinneren dat van bananen tom- tom werd gemaakt, terwijl cassave in droge koemest werd geroosterd om vervolgens met gestoofde kwie-kwie te worden gegeten. Ramotar bracht kokosolie uit Coronie voor verkoop. En als hij zelf niet naar Coronie ging, brachten de kotters de olie in vaten aan de sluis van Waterloo, nabij Nieuw Nickerie. Op de zeilboten die namen hadden als Litwina en Anson werkten o.a. Ba Asjang, Alfons , Kokko en Policeman. Ramotar was een man in aanzien. Hij had een aantal stieren koeien, vele ezels en karren, die voor allerlei diensten werden ingezet. Daarnaast was hij de bezitter van grote lappen grond, die merendeels ten oosten van Nieuw Nickerie, nabij de Waterloostraat, Annastraat en Maynardstraat lagen. De eigenaar en directeur van de plantage Waterloo, Shankar, noemde hem Radja, vanwege het kapitaal dat hij bezat. Op een dag reden Shankar en zijn vrouw, mistris genoemd, in hun rode Impala, waarvan het dak zwart was, te voorland Waterloo. Bij de ontmoeting met Radja vroegen zei hem of hij de lap grond aan de Nickerierivier tussen de twee sluizen van Waterloo wilde kopen voor F8000,= . Radja had genoeg geld, maar mocht het terrein in delen kopen. Radja antwoordde toen:” wat ga ik met de krabbengrond doen”. Nu zijn hele woonwijken en industrieën daar gevestigd”, zegt Nandrai Bipat met een zekere teleurstelling. Rond Ramotar zijn bekende Surinaamse politici voort gekomen. Nandrai vertelt dat de welbekende geleerde en politicus Mr. C.R. Biswamitre een broer was van Ramotar. Dat de eerste hindostaan die minister van Onderwijs werd, Mr. W.E. Juglall, de broer was van Sookdea. Een zoon van een andere broer van Sookdea, is de welbekende Ir. Shankar de gewezen president van Suriname. Een zus van Ramotar was getrouwd met Sitalsing. Sitalsing had een theater aan de Gouverneurstraat, tussen de Annastraat en de Waterloostraat en een softdrink fabriek aan de Waterloostraat tegenover Radio Rani. Daar werden de welbekende Speed en de Stater Esser softdrink gebotteld, lang voordat TTL en Coca-cola hun fabriek hadden in Nickerie. Sitalsing was de vader van de bekende politicus Mr. L.B. Sitalsing, de eerste hindostaan die lid van de Staten van Suriname werd. Biswamitre en Juglall hebben Findley gesteund met zijn Eenheidsfront tegen Pengel. Wijlen Ir.Bipat, een kleinzoon van Ramotar, was een trekker van de NPS.

Bahadoer was mijn leermeester

Ramautar Bipat met echtgenote Rashida en kinderen Varisha en Shifai

Hoewel het verhaal een interessante wending nam, breng ik Nandrai Bipat weer op het spoor: de laatste karrenman van Nickerie. Hij vervolgt zijn verhaal aldus:” Mijn grootvader Ramotar had drie zonen: Sewpersad Willem mijn vader, Harrypersad en Bindram ook bekend als Biram. Biram is de vader geweest van Ir. Bipat. Bindram en Sewpersad gingen vaak naar Coronie. Zo heeft Bindram, de salesman, toen met een Coroniaanse vrouw een dochter verwekt. De voorloper van Wan Pipel, is jaren “geheim” gehouden. Het meisje is onderwijzeres geworden. De jongens waren geen koekjes. Zo zou een keer alle geld om inkopen in Coronie te doen,” in zee zijn gevallen”. Vader Ramotar heeft niet al de verhalen van de jongens als zoete koek geslikt. Voor zijn dood verkocht hij alle percelen, behalve waarop de jongens woonden. Sewpersad en Harrypersad waren vrachtrijders. Blom, uien , aardappelen en andere producten werden van de steiger gehaald en getransporteerd naar de winkels van o.a. Fung Fen Chung en Tjon Tjauw Liem en Tjon Sieuw. De producten werden aangevoerd met de boten Juliana en Wilhelmina, later de boten Nestor en Stentor. Met de dood van Sewpersad in 1948 en Ramotar enkele jaren daarna, nam Harrypersad de zaak over. Bindram werd marktverkoper en hield koeien”. Harrypersad legde zich toe op het transporteren van hout, leverde koemest en as afkomstig van de rijstkaft verbranding. Harrypersad ook bekend als Bahadoer, was zeer geliefd bij de mensen, vooral onder de javanen. Hoe hij en zijn broers uiteindelijk de familienaam Bipat kregen, Bipat betekent ramp, is een raadsel. Het verhaal van Harrypersad vertelt zijn zoon Ramautar Bipat:” Mijn vader kweekte net als zijn vader koeien. Hij werkte daarnaast als vrachtrijder bij de houtzagerij Sultan aan de Maynardstraat. Hij bracht voornamelijk brandhout voor de mensen in Nieuw Nickerie en de nabij gelegen polders. Wanneer in de regentijd de vraag naar zaagsel groot was, daarmee werden de erven opgehoopt, werkte hij tot laat in de middag. De mest die de koeien leverden, werd op gezette tijden verkocht aan mensen die deden aan tuinbouw. Bahadoer, had altijd werk. Mijn moeder Soemintra Bipat-Sewtahal, melkte elke morgen en middag de koeien. De kinderen zorgden ervoor dat de melk werd geleverd, en de koeien genoeg te eten kregen. Na de dood van mijn vader, ik was toen 17 jaar, heb ik zijn werk voortgezet. Ik ben nu 40 jaar. Tussen nu en toen ik begon, heb ik in totaal 12 stieren getraind om de kar te trekken. Ik ben begonnen met f5,= per vracht, terwijl het nu SRD 30,= is. De grootste afstand die ik met de stier heb afgelegd voor de levering van een vracht padiekaf, is tot Binnenweg Paradise. Heen en terug zal het ongeveer 30 kilometer zijn. Ik heb er twee uren over gedaan. Het is prettig je eigen baas te zijn, dan voor een tientje de hele dag voor een baas te werken. Ik houd van mijn beesten. Momenteel heb ik een stier en zes koeien. De beesten houden ook van mij. Een keer heeft een valse stier mij wel op de horens willen nemen. Ik was hem te snel af. Zo een beest kun je dan niet langer houden. Het doet je pijn, maar ik heb hem aan de slager verkocht. Ik hielp mijn vader Bahadoer bij het werken, hij was mijn leermeester. Ik heb met mijn verdiende geld, mijn eigen huis gebouwd. Mijn zoon en dochter zitten op de Muloschool, de R.G.Bueno Bibazschool, waar ze het goed doen. Mijn zoon moet een ander beroep kiezen, omdat het werk zoals ik en mijn vader en zijn vader dat deden, verdwijnt. Karrenmannen die stieren als trekdier gebruikten waren o.a. Soerdjo, Abdoel, Jerry Lewis en Bapna. Daarnaast had je de ezelkarren van Djodjo en Daily Bread. Maar nu ben ik alleen als karrenman overgebleven. Zolang ik leef en kan, zal ik dit werk blijven doen”. Ramautar Bipat, zijn vrouw Reshida Bipat-Azadkhan en de kinderen Varisha en Shifai zijn tevreden met wat ze hebben. Elke dag worden een aantal liters melk voor SDR 2,50 per liter verkocht. Reshida werkt als bediende aan huis bij een zakenfamilie. De kinderen zijn trots op hun vader, ze zeggen: “Hij werkt hard voor het geld, voor onze verzorging en studie”. Ramautar zegt:” Mijn koeien zijn mijn hobby, leven en werk. Als je een hond kweekt, houdt hij de wacht voor je en je verzorgt hem. Als je een koe kweekt, produceert zij voor je, levert melk en mest en je verdient”.

K.R.Donk, 26 maart 2009.

Sam-Sin, eenmaal guru,tweemaal meester

John Eduard Sam-Sin

John Eduard Sam-Sin

Sam-Sin, eenmaal guru, tweemaal meester

Het heeft mij jaren gekost, het geheim rond Sam Sin, de bijna mythische figuur uit de onderwijs wereld in Nickerie, te ontrafelen. Vele ouderen van Nickerie, weten wel iets over hem te vertellen. De onderwijzer uit Paramaribo die vele grote Nickerianen heeft helpen voortbrengen. Bij het interviewen van personen in Nickerie voor het schrijven van historische artikelen, is de naam Sam –Sin vaker gevallen. Velen kenden hem als een rekenwonder, sommigen als een taal virtuoos. Ik ben blij dat ik deze John Eduard François Sam-Sin, de guru, via zijn leerling Sieuwkoemar Sewtahal, mag presenteren.

Gangadai: “ Hij leeft als een koning”.

Vele Nickerianen rond de tachtig jaar, soms een beetje jonger, kunnen zich meester Sam –Sin herinneren. De meester die met groot gezag kon onderwijzen, van wie men zeker wist, dat hij zijn vak beheerste. In het vak rekenen, had hij zijn gelijke niet, terwijl hij de Nederlandse taal zeer machtig was. Toen het en beetje minder goed ging met het onderwijs op de R.K.-scholen in het rijstdistrict, haalde men hem zelfs tweemaal uit Paramaribo, om het niveau op de scholen van het bisdom op peil te brengen. Hij was geen schoolhoofd, maar wel de motor achter de leerprestaties, die de kinderen die onder zijn hoede kwamen, lieten vast leggen. Het is ruim 33 jaar geleden dat ik de naam Sam Sin voor het eerst hoorde uit de mond van het lieve hindostaans meisje, Gangadai, met wie ik op 28 december 1976 ben getrouwd. De naam Sam-Sin, klonk uit haar mond, als woorden uit een sprookjesboek; je zou echt denken: “Heeft die man echt bestaan”. Zei vertelde mij het volgende:” Wij hebben het thuis niet zo breed, maar toch is het leven prettig. Mijn vader is karrenman, net zoals zijn vader het was. Daarnaast houdt hij enkele koeien. Als die melk leveren, wordt die verkocht. Mijn moeder is een hard werkende vrouw, doet de huishouding, zorgt voor de kinderen en plant groente. Er is dus altijd genoeg te eten. Ik kan mij herinneren, ik ben nog klein zit op de lagere school, dat voor een aantal maanden tot misschien iets meer dan een jaar, meester Sam-Sin bij ons komt inwonen. Hij krijgt voor zichzelf een kamer nabij de trap. Elke dag moet ik zijn pap voor hem brengen, zijn eten wordt hem dagelijks opgediend. Hij leeft als een koning in huis, hij behoeft niets te doen. Er wordt voor hem gezorgd. Ik weet ook dat hij elke dag keurig gekleed naar school ging en mensen hem met respect toespraken”. Mijn vraag was altijd geweest, hoe kon iemand uit Paramaribo, een niet-hindoestaanse meester, in een eenvoudige landbouwersgezin terechtkomen, waar hij de beste verzorging kreeg? De mensen waren de tijd ver vooruit. Die vraag zou jaren onbeantwoord blijven. Maar als ik uiteindelijk een ontmoeting heb met de gepensioneerde onderwijzer Sieuwkoemar Sewtahal, krijg ik iets meer te weten over John Eduard F. sam-Sin.

Chanderhans Badal verzorgde hem

Sieuwkoemar Sewtahal is geboren op 1 april 1940 in de van Drimmelenpolder in Nickerie. Zijn vader, Sewtahal 432/00, geboren omstreeks 1898 en een immigrant uit Brits-Indiё, was getrouwd met Rampyarie Kundan geboren op de plantage Waterloo. Sieuwkoemar vertelt het volgende: “ Ik was leerling van de eerste openbareschool aan de Corantijnpolder. Twee maanden per jaar, omstreeks april en mei in de periode waarin de landbouwers rijst planten, bezocht ik deze school. De rest van het schooljaar bezocht ik de Spangenbergschool van de EBGS te Nieuw Nickerie. Op mijn 14de jaar zat ik nog in de vijfde klas. Meester Monkou, het schoolhoofd, wilde daarom niet dat ik deel zou nemen aan het toelatingsexamen voor de Muloschool. Op voorstel van meester Sam Sin, verbonden aan de St. Alfonsusschool van het RKBO, schreven mijn ouders mij na de kerstvakantie af van de Spangenbergschool. Sam Sin gaf toen les in de zesde klas en op zijn voorstel vroeg het schoolhoofd G.G. Maynard, dispensatie voor mij aan. Kort daarna, kwam mijn broertje, Sewtahal Sewpersad ook in de zesde klas. Sam Sin zei aan het schoolhoofd, dat mijn broertje te scherp was voor de vijfde klas. In hetzelfde jaar in 1955, slaagden wij beiden voor de toelating tot de Mulo. In 1958 gingen wij naar de kweekschool. Dat ik met mijn vijftiende jaar pas de lagere school verliet, komt door het feit dat ik drie jaren deed over de vierde klas. Ik was linkshandig, en een leerkracht van wie ik de naam niet wil noemen, heeft me steeds gedwongen met mijn rechterhand te schrijven, wat niet lukte. Al kende ik mijn lessen, ik schreef niets op, dus bleef ik zitten. Maar Sam Sin bracht via de overstap hierin verandering. Sam Sin bleef toen in en kamer in een hotel aan de Orange Nassaustraat, nu R.P.Bharosstraat. Hij gaf lessen op de St.Alfonsusschool, maar was bij een eerdere detachering werkzaam op de openbare school te Hamptoncourt. Ir. Shankar, gewezen president van Suriname, Dr. F. Essed, Ir. Bipat, Ir. Tjon Sieuw, R.G.Bueno Bibaz, zijn o.a. grote zonen van ons land, die de handen van Sam Sin zijn gepasseerd. Ik leerde hem kennen als kleine jongen, toen mijn neef Chanderhans Badal, hem verzorgde. Hij baadde, kleedde en masseerde Sam Sin, die aan reumatiek leed. Hij was toen al boven de 50 jaar. Chanderhans verzorgde hem, bracht hem elke dag verse vruchten en maaltijden, maar kreeg daarvoor bijzondere kennis terug. Toen Chanderhans zijn vader stierf en hij die de Mulo niet verder mocht bezoeken, nam ik zijn taak over.

Sieuwkoemar diende zijn guru

Sieuwkoemar Sewtahal

Sewkoemar Sewtahal

Sieuwkoemar had een bijzondere taak op zich genomen. Iets, dat alleen maar door een bijzondere band, uit liefde tussen een leerling en zijn guru kan bestaan. Sewpersad zijn broertje was er zijdelings bij betrokken. Maar beide jongens zouden door te doen van guru, zelf ook onderwijzer worden. Over de verzorging en het dienen van zijn guru vertelt Sieuwkoemar zijn ontroerend verhaal:” Ik baadde hem ‘s morgens vroeg en kleedde hem aan. Dan hielp ik hem op zijn fiets zitten, waarna ik de fiets waarop hij zat naar school stootte. Hij trapte zelf niet. Als de school om 1 uur n.m. de deuren dicht deed, ging hij niet naar huis. Ik bleef bij hem. We aten op school, want er werd eten voor hem gebracht. Van 4 tot 6 uur ’s middags gaf hij aan de zesdeklassers bijles. Tegen 6 uur ’s middags stootte ik hem naar het gebouw van de Mulo I. Onderweg kocht hij bij Natman, sate’s, pitjil, bakkabana’s en gekookte eieren. Van half zeven ’s avonds tot acht uur gaf hij lessen op de vierderang opleiding. Ik volgde al de lessen, omdat ik in de klas plaats moest nemen. Daarna stootte ik hem naar het Juliana theater. In de pauze wekte ik hem, meestal sliep hij tijdens de voorstelling, waarna hij zich tegoed deed aan de goederen van Natman. Tegen 12 uur stootte ik hem naar huis, waar ik hem masseerde met hoogtezon zalf. Daarna ging ik zelf naar bed. Dit heeft zich elke dag herhaald. Toen ik naar de Mulo moest, verhuisde ik samen met hem om in te wonen bij mijn zus aan de Annastraat. Hij was een pientere man. Tijdens de vierderang lessen, gaf hij mij extra wiskunde en Nederlands lessen. Hij heeft een heleboel mensen voor de vierderang opgeleid. Hij gaf ook boekhoudenlessen. Een zekere Boedram heeft zo zijn PD-diploma behaald. Hij kende zijn vak, zijn lessen waren didactisch van hoge kwaliteit. Na zijn mutatie naar Paramaribo heeft hij nog vele vierderangers helpen opleiden. De Nickeriaanse studenten maakten dankbaar gebruik van zijn diensten. Toen mijn broer en ik op de kweekschool zaten , waren wij kind aan huis aan de Burenstraat 42, waar hij woonde”. Volgens Sieuwkoemar gaf hij geduldig les en kon je vragen stellen zoveel als je wilde. Ontdekte hij dat je daarna toch niets had begrepen, kreeg je klappen en schoppen. “ Wij verstonden weinig Nederlands op de lagere school, dus gaf hij les in Sranantongo. Ook ik kreeg klappen, trots ik hem verzorgde. Hij was meester in taalkennis. Tot op de Hoofdakte opleiding hebben wij van zijn kennis gebruik gemaakt. Ik vind het jammer dat geen straat of school in Nickerie, naar deze guru is genoemd”.

K.R.Donk, 12 februari 2009.

Van zoon kostgrondhouder tot grootgrondbezitter

De 15 kinderen van vader Soechit

De 15 kinderen van vader Soechit

Van zoon kostgrond houder tot grootgrondbezitter

Als er over grote landbouwers, rijstverwerkers en rijstexporteurs van Nickerie wordt gesproken, noemt men de naam van Ramawat Soechit. De eenvoudige landbouwerzoon, die zich door harde arbeid, tot de top van de rijstindustrie in Suriname heeft kunnen opwerken. Het pad van de bijna tachtig jarige Nickeriaan, is niet altijd over rozen gegaan.

Armoede en hard werken

Ramawat Soechit, geboren op 5 juni 1928, is een bijzondere Surinamer. Zijn bijdrage aan de rijstindustrie heeft zich niet beperkt tot Nickerie. Zo staat er mede door hem een rijstbedrijf te Nouvelle Rizerie du Nord, in Duinkerque, in het noorden van Frankrijk. Ali Sewrutton en ik, bezoeken hem thuis aan de Bacovendam 164 in de Oostelijkepolder. De statige grootondernemer vertelt dan zijn levensverhaal:” Samen met mijn vader, Soechit Rammanohar en mijn moeder Soechit-Mahadewsingh Jagpatia woonden wij, mijn broertje Sewdath en mijn zusje Rewtie en ik, aan de Bacovendam. Mijn vader bezat een halve ha. landbouwgrond. Wij woonden in een hutje, opgetrokken van hout, prassara bladeren en paira of stro. De vloer was van leem, een mengsel van koemest klei en zemel. De vloer werd om de zoveel tijd bewerkt met een nieuwe laag, lipé genoemd. De koemest gaf aan de omgeving een aangename geur. Wij dronken water uit de regenton. Water voor de huishouding, het baden, kleren wassen e.d., haalden wij uit de lozing aan de straatzijde. Al heel vroeg in de morgen tegen zes uur, moest ik gras snijden voor de koeien. Mijn ouders verkochten melk voor 5 centen een kwart liter. Ik at voordat ik naar school vertrok, wat rijst waarin melk zat, doohdbath, of thee in zat, chabath, of gewoon kokosolie, theelbath. Ik verliet de school vanaf de vierde klas lagere school, om mee te helpen in het gezin. Ik was toen 12 jaar”.

In zijn jonge jaren heeft de harde werker Ramauwat, armoede gekend. “Voor 60 centen per dag begon ik te werken als waterdrager bij de aanleg van de weg tussen Paradise, Boonackerpolder en Hamptoncourt. Ik werkte overal waar er werk werd aangeboden op landbouwpercelen. Ik heb gewied, sloten gegraven, later tractoren bestuurd en van alles en nog wat gedaan. Ik verdiende f1,25 tot f2,50 per dag. Intussen had mijn vader nog een ha. rijstareaal gekocht in de buurt en een andere te Uitbreiding Paradise. De velden werden een keer per jaar beplant. De gronden werden met de hand ontgonnen en kavelsloten met de hand gegraven. Wij dorsten de padie met koeien of via de slagplank of pitaan. Haast alles werd handmatig gedaan, dus zwaar en intensief. Ik ging met mijn vrienden het bos in, om hout te hakken voor de bouw van huizen, wanneer de padie opgroeide of geen arbeid op de rijstvelden werd verricht.

Voor succes vele tegenslagen

Ramawat trouwde toen hij 17 was, met Hansradjie Bishesar. Zij is geboren op 21 juli 1930. Zijn grootvader van moeders kant, zijn nanna, zocht zijn bruid voor hem uit. Zij woonde in de Corantijnpolder. “ Je had toen 1 rijstoogst per jaar. Op de suikerplantage Waterloo werkte ik ook als rietkapper, veldwerker en fabriekarbeider. Ik heb onder de bazen Idris en Bhaan gewerkt. Elke morgen legde ik 8 km te voet af om mijn werkplaats te bereiken. Mijn vrouw stond 4 uur in de ochtend op om voor mij het eten klaar te maken. Om 5 uur ’s morgens vertrok ik. Als rietkapper moest je vroeg op pad, om je velden die je wilde kappen te bereiken. Ik deed wat men “ djabwerk” noemde. Je nam een taak aan, die je in een bepaalde tijd af moest hebben. Ik kreeg 5 gulden voor 1 ton gekapte riet. Je moest dan de gereedstaande

pontons volladen. Ik liep na het werk weer 8 km terug naar huis. Ik kwam 7, 8, of 9 uur ’s avonds thuis aan, waar mijn lieve vrouw mij opwachtte. Wij kregen vijftien kinderen”.

Ramawat werkte hard en was spaarzaam. Hij kon zijn vader bijstaan om nog enkele landbouwpercelen voor de rijstbouw te kopen. Hij kocht zijn eerste landbouwgrond, maar moest daarbij zijn eerste tegenslag incasseren. “ Ik kocht van de javaanse landbouwer Soebojo een perceel. Het perceel werd beplant. Toen er geoogst moest worden, kreeg ik bezoek van de bestuursopzichter, van Dal. Ik moest van het districtsbestuur met verlies van alle geld en investeringen, de grond met gewas, teruggeven aan Soebojo. In die tijd was het namelijk verboden percelen van javaanse landbouwers te kopen. Dit ter bescherming van deze groep, waar vooral de mannen hun geld verspeelden. Ik begon hierna ten behoeve van een grote verwerker, padie op de velden van de landbouwers op te kopen. De waarde van de opgekochte padie bedroeg vijf duizend gulden. Voor die tijd een groot bedrag. Ik deed mondeling zaken, dus zonder stukken op te maken. Toen ik het geld bij de verwerker moest ontvangen, zei hij mij niets schuldig te zijn. Ik moest uit eigen zak al de landbouwers voor de opgekochte padie betalen. Mijn tweede tegenslag. Ik heb toen te Henar bij Ali Bux meer dan 30 ha. , ontgonnen. Hij hield echter de beste gronden voor zichzelf. Ik ontgon toen nog eens 20 ha. en begon zelf met de grote landbouw. De inpoldering geschiedde met de hand. De arbeiders vroegen mij tien gulden per ketting. Ali Bux heeft tenslotte 2000 ha. ingepolderd. Mijn 20 ha. wordt helemaal door zijn arealen omsloten. Ik moest veel tegenwerking verdragen. Ik kreeg soms geen toegang tot mijn grond. Soms werd de watertoevoer geblokkeerd. Ik zette door. Ik bouwde een nieuwe woning aan de Bacovendam 164. De oude woning aan de overkant brak ik af en bouwde een kleine drogerij. Ik droogde daar opgekochte padie van boeren. Bij de pellerijen van Baldew, Karaya, Premchand en Ghaseto verwerkte ik de padie tot rijst en andere producten. Mijn vader verkocht rijst in Paramaribo in de loods van ondernemer Paladsingh. Ik kreeg toen mijn derde tegenslag toen een verwerker mij niet voor een grote hoeveelheid geleverde padie betaalde omdat hij failliet ging. Toen kwamen de bloeiende jaren. Ik exporteerde in 1972 mijn eerste vracht cargorijst. Ik begon zaken te doen met Harry Radhakishoen. Dat was de geboorte van N.V. Rijstpak. Radhakishoen koos voor deze naam. In de winkel werd onze rijst onder het merk R.S.- rijst, verkocht. Aan de Bacovendam bouwde ik een grotere drogerij en pellerij in 1977.

In 1980 brandde de grote pellerij aan de Bacovendam geheel af, mijn vierde tegenslag. Ik gaf de moed niet op en kocht de pellerij van Laighsingh te Margarethenburg aan de Nickerierivier. Daarna bouwde ik een moderne pellerij aan de Industrieweg in de van Pettenpolder”.

Een sterke familie voor innovaties

“Op advies van Ing. Zalmijn kocht ik in 1982 de gronden van Wanner te Middenstand en aan de rechter oever van de Nickerierivier.In de jaren negentig behaalde ik wel 35000 ton cargo bij de export. Ik beplant momenteel 2000 ha. te Middenstand. Mijn aandeel op de locale markt, die ik nu voorzie van Palomarijst, is ongeveer 40%.

N.V. Rijstpak is met de tijd meegegroeid door vernieuwingen toe te passen. Een groot moment was de ontwikkeling van bulktransport van het veld naar de droger. En van de pelmolen naar het zeeschip voor de export. Een belangrijke overgang vond plaats in de samenwerking met de EBS en van Dijk, later met de Staatsolie Maatschappij. Het betrof het droogproces, dat eerst met dieselgeneratoren en diesel branders werd verricht. Daarna met elektrische energie en staatsolie 1500”. Ramawat Soechit is thans President- Commissaris van het bedrijf. Zijn zonen hebben hun eigen taken. Dewanand is belast met de landbouw, Shardanand met de verwerking van het product, Bhanpersad en Haripersad (in het buitenland) houden zich bezig met de verkoop. Nagindernath voert de directie.

Van groot landbouwer en verwerker Soechit is veel te vertellen. Zo heeft hij de VHP helpen opbouwen en als cricketer speelde hij voor Jaihind. In 1988 krijgt hij een oorkonde van het ministerie van LVV voor zijn bijzondere bijdrage aan de viering van de Wereldvoedseldag. Op 23 november 1989 is hem door de President van Suriname, de Eremedaille in Goud toegekend als Grootmeester van de Ere – orde van de Palm.

K.R.Donk, 29 april 2008.

Tapsei, de frimangrons van Nickerie

De plantage geschiedenis van Nickerie, is rond 1797 met de aanleg van de plantages Plaisance en Paradise door gouverneur Frederici, aan de linkeroever van de Nickerierivier begonnen.

Vooral tijdens het Engelse Tussenbestuur, maakte het plantagesysteem grote sprongen vooruit in Nickerie. De katoenplantages langs de kust zoals Union, Sealand en Leadshall, de cacaoaplantages, suikerplantages en koffieplantages aan de linkeroever van de Nickerierivier, zoals Margarethenburg, Hazard en Waterloo hebben ongekende hoogten kunnen bereiken. De productie lag vele malen hoger dan menige oude plantages elders in Suriname. De vruchtbare gronden van Nickerie leverden door te doen van de slavenbevolking, een grote bijdrage aan het productieniveau van ons land en district. Na de afschaffing van de slavernij, vestigden vele van de slaven en nakomelingen zich op eigen gronden aan de beide oevers van de rivier, niet ver van de bestaande plantage, de zogenaamde Bovenbuurt, Tapsee of Frimangrons.

Monkou, Lackin, Cambridge en Dawson-Rhijn in cacao

Van de Bovenbuurt, Tapsee zoals de gronden van de afstammelingen van de slaven in de volksmond bekend stonden, is niet veel bekend. Wel weten nog enkele in het levenzijnde oude Nickerianen, dat op die gronden cacao werd geteeld voor de export. De oost-westverbinding bestond er toen niet, dus Tapsee was alleen maar per boot via de rivier te bereiken. De bewoners moesten enkele uren roeien om Nieuw Nickerie te bereiken. De kinderen van Tapsee, hadden op enkele van de gronden een school die ze konden bezoeken. De gronden waren in sommige gevallen door een pad op de oeverdammen met elkaar verbonden, waardoor de kinderen de school te voet, of anders per boot konden bereiken. Dat bevestigt de op 16 mei 1915 geboren Johannes Jefferey, die te Tapsee is geboren. Hij woont nog steeds aan de Duhtsweg te Henar net als Elbien Adolf Johan Castillion geboren te Sparikriki, Tapsee, op 18 november 1927 en Erona Castillion-Boldewijn geboren op 19 december 1922. De laatste oudjes van het gebied. Zij vertellen mij over de Bigie Gron te Biesrust van Johannes castillion, waar zelfs Brits-Indiёrs aan de cacao-oogst hebben meegedaan. De oudjes noemen mij namen van grondeigenaren als Hoepel, Winter, Nicolson, Dest, Blijd en Grand. Over Tapsee heeft W.H.C.Monkou op 19 oktober 1942 het volgende geschreven: “ In overeenstemming met de woongebieden van Nickerie, spreekt men van Newton( nieuwe stad)negers, negers van Waterloo, van Hazard enz. De ouden van dagen moeten het mij maar vergeven, dat ik de Ouroebilo( Nieuw Rotterdam)nengre en Nurseynengre niet als afzonderlijke groepen vermeld, ik releveer immers slechts die groepen, welke ik bij de bereiking van de jaren des onderscheids aantrof. Tapsee heeft zijn ups en downs gekend. De economische positie van Tapsee dient dus te worden beschouwd in het licht van de wisselende economische structuur van het district Nickerie. Er was b.v. een tijd, waarin cacao de kurk was, waarop gans Nickerie dreef. Naast de bloeiende cacaoplantage Crappahoek en Lotland, verdienden de grondjes van Tapsee een eervolle vermelding. Met cacaomagnaten als wijlen John lackin, wijlen Kees Cambridge, de grootvader van collega Coleridge, mijn grootvader en wijlen weduwe Dawson-Rhijn, hielden de districtautoriteiten terdege rekening. De krullotenziekte en de geweldige concurrentie van de Afrikaanse cacao, bleken helaas een langzaam werkend, dodelijk vergif voor de Surinaamse derhalve voor de Nickeriaanse cacaocultuur te zijn”.

Ballata-industriёlen Wix, Belmonte en Lashley

Monkou vermeldt dat met de neergang van de cacaocultuur in Nickerie er in de opkomende ballatawinning in Suriname dus ook in Nickerie, een oplossing voor de werkers in zicht was gekomen. Althans het leek als een oplossing voor de problemen van Tapsee. Met een bloedend hart vertelt hij over de totale ondergang van Tapsee. De ballatawinning bracht de genadeslag:” In de plaats van de kwijnende cacaocultuur verscheen de ballata-industrie als een schitterende ster aan de economische hemel van Nickerie. Helaas, het was geen vaste ster, doch een vallende ster, die nota bene voor de zieltogende cacaocultuur een dolksteek in de rug betekende en voor Tapsee een schier onherstelbaar verval. Immers, de jongemannen van Tapsee verlieten hun vaders grondjes en trekken in hopen naar de ballatavelden, die hun in korte tijd duizenden guldens deden verdienen en in nog kortere tijd meerdere duizenden verbrassen, mede tot grote schade van hun zo weinig gewaardeerde gezondheid.

De oudjes werden steeds zwakker, hun levenslamp ging uit, de vrouwen van de ballatableeders, afkomstig van Tapsee, vestigden zich metterwoon in Nieuw Nickerie, alwaar ze vrij royaal konden leven en genieten van het weekgeld, dat de verschillende ballata-industriёlen als Wix, Belmonte en Lashley haar namens haar mannen ter hand stelde. Dat was het tragische lot van Tapsee. De trek uit Tapsee had tot onvermijdelijk gevolg o.m. de wisse dood, die de school te Ma Mére allengskens stierf. Waar eertijds op Tapsee cacao zo fier groeide en bloeide, tiert thans welig verstikkend onkruid, ja, zelfs ondoordringbaar, troosteloos woud. Zo verging de bloeiende schoonheid van Tapsee, alwaar aan de rechteroever van de Nickerierivier niet één huis meer staat”.

Boortorens naar aardolie te Tapsee

Wie bij het lezen van de bovenstaande woorden in de huid van Monkou kruipt, kan de droefheid voelen, die hij moet hebben ondergaan bij het zien wegkwijnen van Tapsee, de plaats waar hij geboren was. Hoeveel verdriet en pijn moeten de ouderen , de pioniers hebben gehad, om op hun oude dag, zwak als ze zijn geworden en niet instaat meer de gronden te bewerken, de jongeren te zien wegtrekken. De gronden aan hun lot overlatende. Maar Monkou had nog hoop, omdat op Tapsee, aan de linkeroever van de Nickerierivier, nabij de Bolletriekreek, de Henarpolder met bijbehorende wooncentrum, werd aangelegd. Hij Schrijft daarom verder: “ Het is o.a. deze rijstproducerendepolder die Tapsee te juister ure voor een algehele exodus behoed heeft. De school van Weltevreden, werd naar deze redder-in-nood verplaatst. Thans haalt dit gedeelte van Tapsee niet alleen de padioogst binnen, maar ook materialen voor de eerlang te installeren boortoren van de Surinaamse petroleum Maatschappij. In het belang van de zo zeer gewenste verdere opleving van ons geliefd district echter, hopen wij van harte, dat het vloeibare goud, petroleum, weldra uit tal van boortorens in volle stromen mogen vloeien uit Tapsee’s dierbare bodem, tot in lengte van dagen. Dan zullen mannen als Kembel( geldschieter te Paramaribo, vermoedelijk op de grond Armoede geboren), Sedoc ( Hoofd van de Wanicaschool te Paramaribo), Coleridge( Hoofd van de Rust en Vredeschool te Paramaribo) en ondergetekende( Hoofd van de Salemschool te Coronie)zich in geen dele hoeven te generen over het feit dat ze uit Tapsee geboortig zijn”.

Monkou ziet Tapsee uit de as verrijzen, wederom bevolkt worden en tot nooitgedroomde glorie groeien, zo zelfs, waarbij Nieuw Nickerie daarbij verbleekt. Gelijk in Marowijne, het stadje Moengo de glans van het gouddorp Albina ten tijde van de bauxietwinning, heeft verduisterd. Anno 2007 weten wij dat Staatsolie Maatschappij Surinaame N.V., ook in het gebied van Tapsee vele proefboringen heeft verricht. Wie weet zullen de woorden van Monkou, een profetie blijken te zijn.