Van zoon kostgrondhouder tot grootgrondbezitter

De 15 kinderen van vader Soechit

De 15 kinderen van vader Soechit

Van zoon kostgrond houder tot grootgrondbezitter

Als er over grote landbouwers, rijstverwerkers en rijstexporteurs van Nickerie wordt gesproken, noemt men de naam van Ramawat Soechit. De eenvoudige landbouwerzoon, die zich door harde arbeid, tot de top van de rijstindustrie in Suriname heeft kunnen opwerken. Het pad van de bijna tachtig jarige Nickeriaan, is niet altijd over rozen gegaan.

Armoede en hard werken

Ramawat Soechit, geboren op 5 juni 1928, is een bijzondere Surinamer. Zijn bijdrage aan de rijstindustrie heeft zich niet beperkt tot Nickerie. Zo staat er mede door hem een rijstbedrijf te Nouvelle Rizerie du Nord, in Duinkerque, in het noorden van Frankrijk. Ali Sewrutton en ik, bezoeken hem thuis aan de Bacovendam 164 in de Oostelijkepolder. De statige grootondernemer vertelt dan zijn levensverhaal:” Samen met mijn vader, Soechit Rammanohar en mijn moeder Soechit-Mahadewsingh Jagpatia woonden wij, mijn broertje Sewdath en mijn zusje Rewtie en ik, aan de Bacovendam. Mijn vader bezat een halve ha. landbouwgrond. Wij woonden in een hutje, opgetrokken van hout, prassara bladeren en paira of stro. De vloer was van leem, een mengsel van koemest klei en zemel. De vloer werd om de zoveel tijd bewerkt met een nieuwe laag, lipé genoemd. De koemest gaf aan de omgeving een aangename geur. Wij dronken water uit de regenton. Water voor de huishouding, het baden, kleren wassen e.d., haalden wij uit de lozing aan de straatzijde. Al heel vroeg in de morgen tegen zes uur, moest ik gras snijden voor de koeien. Mijn ouders verkochten melk voor 5 centen een kwart liter. Ik at voordat ik naar school vertrok, wat rijst waarin melk zat, doohdbath, of thee in zat, chabath, of gewoon kokosolie, theelbath. Ik verliet de school vanaf de vierde klas lagere school, om mee te helpen in het gezin. Ik was toen 12 jaar”.

In zijn jonge jaren heeft de harde werker Ramauwat, armoede gekend. “Voor 60 centen per dag begon ik te werken als waterdrager bij de aanleg van de weg tussen Paradise, Boonackerpolder en Hamptoncourt. Ik werkte overal waar er werk werd aangeboden op landbouwpercelen. Ik heb gewied, sloten gegraven, later tractoren bestuurd en van alles en nog wat gedaan. Ik verdiende f1,25 tot f2,50 per dag. Intussen had mijn vader nog een ha. rijstareaal gekocht in de buurt en een andere te Uitbreiding Paradise. De velden werden een keer per jaar beplant. De gronden werden met de hand ontgonnen en kavelsloten met de hand gegraven. Wij dorsten de padie met koeien of via de slagplank of pitaan. Haast alles werd handmatig gedaan, dus zwaar en intensief. Ik ging met mijn vrienden het bos in, om hout te hakken voor de bouw van huizen, wanneer de padie opgroeide of geen arbeid op de rijstvelden werd verricht.

Voor succes vele tegenslagen

Ramawat trouwde toen hij 17 was, met Hansradjie Bishesar. Zij is geboren op 21 juli 1930. Zijn grootvader van moeders kant, zijn nanna, zocht zijn bruid voor hem uit. Zij woonde in de Corantijnpolder. “ Je had toen 1 rijstoogst per jaar. Op de suikerplantage Waterloo werkte ik ook als rietkapper, veldwerker en fabriekarbeider. Ik heb onder de bazen Idris en Bhaan gewerkt. Elke morgen legde ik 8 km te voet af om mijn werkplaats te bereiken. Mijn vrouw stond 4 uur in de ochtend op om voor mij het eten klaar te maken. Om 5 uur ’s morgens vertrok ik. Als rietkapper moest je vroeg op pad, om je velden die je wilde kappen te bereiken. Ik deed wat men “ djabwerk” noemde. Je nam een taak aan, die je in een bepaalde tijd af moest hebben. Ik kreeg 5 gulden voor 1 ton gekapte riet. Je moest dan de gereedstaande

pontons volladen. Ik liep na het werk weer 8 km terug naar huis. Ik kwam 7, 8, of 9 uur ’s avonds thuis aan, waar mijn lieve vrouw mij opwachtte. Wij kregen vijftien kinderen”.

Ramawat werkte hard en was spaarzaam. Hij kon zijn vader bijstaan om nog enkele landbouwpercelen voor de rijstbouw te kopen. Hij kocht zijn eerste landbouwgrond, maar moest daarbij zijn eerste tegenslag incasseren. “ Ik kocht van de javaanse landbouwer Soebojo een perceel. Het perceel werd beplant. Toen er geoogst moest worden, kreeg ik bezoek van de bestuursopzichter, van Dal. Ik moest van het districtsbestuur met verlies van alle geld en investeringen, de grond met gewas, teruggeven aan Soebojo. In die tijd was het namelijk verboden percelen van javaanse landbouwers te kopen. Dit ter bescherming van deze groep, waar vooral de mannen hun geld verspeelden. Ik begon hierna ten behoeve van een grote verwerker, padie op de velden van de landbouwers op te kopen. De waarde van de opgekochte padie bedroeg vijf duizend gulden. Voor die tijd een groot bedrag. Ik deed mondeling zaken, dus zonder stukken op te maken. Toen ik het geld bij de verwerker moest ontvangen, zei hij mij niets schuldig te zijn. Ik moest uit eigen zak al de landbouwers voor de opgekochte padie betalen. Mijn tweede tegenslag. Ik heb toen te Henar bij Ali Bux meer dan 30 ha. , ontgonnen. Hij hield echter de beste gronden voor zichzelf. Ik ontgon toen nog eens 20 ha. en begon zelf met de grote landbouw. De inpoldering geschiedde met de hand. De arbeiders vroegen mij tien gulden per ketting. Ali Bux heeft tenslotte 2000 ha. ingepolderd. Mijn 20 ha. wordt helemaal door zijn arealen omsloten. Ik moest veel tegenwerking verdragen. Ik kreeg soms geen toegang tot mijn grond. Soms werd de watertoevoer geblokkeerd. Ik zette door. Ik bouwde een nieuwe woning aan de Bacovendam 164. De oude woning aan de overkant brak ik af en bouwde een kleine drogerij. Ik droogde daar opgekochte padie van boeren. Bij de pellerijen van Baldew, Karaya, Premchand en Ghaseto verwerkte ik de padie tot rijst en andere producten. Mijn vader verkocht rijst in Paramaribo in de loods van ondernemer Paladsingh. Ik kreeg toen mijn derde tegenslag toen een verwerker mij niet voor een grote hoeveelheid geleverde padie betaalde omdat hij failliet ging. Toen kwamen de bloeiende jaren. Ik exporteerde in 1972 mijn eerste vracht cargorijst. Ik begon zaken te doen met Harry Radhakishoen. Dat was de geboorte van N.V. Rijstpak. Radhakishoen koos voor deze naam. In de winkel werd onze rijst onder het merk R.S.- rijst, verkocht. Aan de Bacovendam bouwde ik een grotere drogerij en pellerij in 1977.

In 1980 brandde de grote pellerij aan de Bacovendam geheel af, mijn vierde tegenslag. Ik gaf de moed niet op en kocht de pellerij van Laighsingh te Margarethenburg aan de Nickerierivier. Daarna bouwde ik een moderne pellerij aan de Industrieweg in de van Pettenpolder”.

Een sterke familie voor innovaties

“Op advies van Ing. Zalmijn kocht ik in 1982 de gronden van Wanner te Middenstand en aan de rechter oever van de Nickerierivier.In de jaren negentig behaalde ik wel 35000 ton cargo bij de export. Ik beplant momenteel 2000 ha. te Middenstand. Mijn aandeel op de locale markt, die ik nu voorzie van Palomarijst, is ongeveer 40%.

N.V. Rijstpak is met de tijd meegegroeid door vernieuwingen toe te passen. Een groot moment was de ontwikkeling van bulktransport van het veld naar de droger. En van de pelmolen naar het zeeschip voor de export. Een belangrijke overgang vond plaats in de samenwerking met de EBS en van Dijk, later met de Staatsolie Maatschappij. Het betrof het droogproces, dat eerst met dieselgeneratoren en diesel branders werd verricht. Daarna met elektrische energie en staatsolie 1500”. Ramawat Soechit is thans President- Commissaris van het bedrijf. Zijn zonen hebben hun eigen taken. Dewanand is belast met de landbouw, Shardanand met de verwerking van het product, Bhanpersad en Haripersad (in het buitenland) houden zich bezig met de verkoop. Nagindernath voert de directie.

Van groot landbouwer en verwerker Soechit is veel te vertellen. Zo heeft hij de VHP helpen opbouwen en als cricketer speelde hij voor Jaihind. In 1988 krijgt hij een oorkonde van het ministerie van LVV voor zijn bijzondere bijdrage aan de viering van de Wereldvoedseldag. Op 23 november 1989 is hem door de President van Suriname, de Eremedaille in Goud toegekend als Grootmeester van de Ere – orde van de Palm.

K.R.Donk, 29 april 2008.

Leave a Reply